De buit van beurs en banken

Nederlandse banken, de beurs en tal van andere instellingen werkten actief mee aan het roven van joods bezit in de Tweede Wereldoorlog, blijkt gedetailleerder dan ooit uit nieuw onderzoek. Nederlands formalisme sloot aan bij de bureaucratie van de bezetter.

De joodse diamantairs zouden in de zomer van 1943 als laatsten worden gedeporteerd naar het doorgangskamp Westerbork. De Duitse gevolmachtigde bij het Rijksbureau voor Diamant, Carl Hanemann, was er echter van overtuigd dat er nog diamanten verstopt moesten zijn. Onder zijn druk werden enkele diamantslijpers vrijgelaten en in de gelegenheid gesteld hun werk te hervatten. De Duitsers kochten vervolgens via de firma Bozenhardt, voor te lage prijzen, de diamanten van de Amsterdamse diamantairs, die in september tevens gedwongen werden hun dankbaarheid te tonen met de schenking van edelstenen ter waarde van 600.000 gulden aan Hanemann. Enkele dagen na het `Hanemann-geschenk', toen de Duitsers dachten de buit grotendeels binnen te hebben, werden de diamantairs op 29 september 1943 alsnog opgepakt en gedeporteerd. Aktion Bozenhardt was voorbij.

De beroving van de joden in de Tweede Wereldoorlog was de financiële pendant van de fysieke vernietiging van het Europese jodendom door de nazi's – even systematisch en bureaucratisch uitgevoerd en vaak even cynisch. Voordat de joden van het leven werden beroofd, werden ze ontdaan van al hun bezittingen, van effecten en schilderijen tot zilveren lepeltjes en meubels. De joden die de oorlog overleefden, waren doorgaans totaal berooid en stuitten bij hun terugkeer niet zelden op onwil bij niet-joodse burgers en instellingen om de schaarse overgebleven goederen terug te geven.

Precies vijftig jaar na het einde van de oorlog, in 1995, kwam de roof van joods bezit plotseling in de schijnwerpers te staan. Zwitserse banken werden ervan beschuldigd geroofd nazi-goud te hebben witgewassen en nooit opgevraagde tegoeden van vermoorde joden te hebben achtergehouden. De rol van het neutrale Zwitserland heeft ook in destijds bezette landen als Nederland en Frankrijk twijfel gewekt over de rol van overheid en bedrijfsleven. De emotionele discussies en de juridische aanspraken op bedrijven en overheden, waarbij joodse groeperingen vaak miljarden claimen, hebben de lacunes blootgelegd in de geschiedschrijving over de roof en recuperatie. L. de Jong heeft in Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog weliswaar enkele hoofdstukken gewijd aan roof en rechtsherstel, maar die zijn niet uitputtend. Volgens De Jong zijn de duizenden individuele dossiers van beroofde joden interessant studiemateriaal voor verder onderzoek. Ook J. Presser heeft in Ondergang geschreven over de `plundering' in een uitgebreid hoofdstuk, waarin hij de hoop uitspreekt dat een `doctorandus' nog eens een dissertatie aan het onderwerp zal wijden.

Verder bestaan er deelstudies van onder anderen Joh. de Vries, die al veel van de handel in joodse effecten blootlegde, en A.J. van der Leeuw, een naaste medewerker van De Jong, die de diamantroof beschreef met inbegrip van `Aktion Bozenhardt'. De onderzoekscommissies, die sinds 1996 aan het werk zijn gezet hebben weer nieuwe stukjes van de puzzel opgeleverd over archieven (commissie-Kordes, 1998), kunst (commissie-Ekkart, 1998) en financiële instellingen (commissie-Scholten, 1998). Maar een samenhangend en naar volledigheid strevend historisch onderzoek is niet gedaan, in geen enkel Europees land.

Naar het hoe en waarom van deze lacune is het gissen. Een rol speelt ongetwijfeld de duizelingwekkende omvang van de archieven, die in Nederland, in opdracht van de commissie-Kordes zijn beschreven in een onderzoeksgids van driehonderd bladzijden. Tegelijk ontbreekt zeer veel archiefmateriaal dat is weggegooid door bedrijven en overheden in tijden dat de oorlog langer geleden leek dan nu. Over de roof van joodse ondernemingen is nauwelijks iets te vinden, constateerde Kordes vorig jaar december al. De historicus die doet wat Presser en De Jong al hoopten, moet bovendien een behoorlijk financieel-economische kennis hebben om de complexe boekhoudkundige sporen en witwasconstructies te doorgronden.

Gerard Aalders, sinds enkele jaren als historicus werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), voldoet aan het profiel van zo'n stugge speurder met financiële achtergrondkennis. In The art of Cloacking (1990) beschreef hij samen met de politicoloog Cees Wiebes de complexe financiële hand- en spandiensten die de Zweedse Wallenbergs hadden verricht voor de nazi's. Dat boek was voor Aalders de aanleiding om in 1990 een onderzoek te beginnen naar de beroving van de joden in Nederland, waarbij hij vanaf 1995 de actualiteit als een `hete adem in de nek' voelde. Met een bewonderenswaardig doorzettingsvermogen spitte hij in archieven in Nederland en Oekraïne, maar ook in Washington en Londen, waar de bevindingen van de geallieerde inlichtingendiensten naar de nazi-roof te vinden zijn.

Speurwerk

Het resultaat van dit speurwerk is het deze week verschenen Roof, de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het is het eerste deel van een trilogie waarin ook het naoorlogs rechtsherstel en de roof van het Nederlandse goud aan de orde zullen komen. Roof bevat enkele spectaculaire onthullingen, zoals over de rol van de banken op de effectenbeurs, die deze week al veel stof deden opwaaien. Maar de waarde van het boek ligt vooral in Aalders' poging het tot op heden ontbrekende standaardwerk over de roof van joods bezit te schrijven, compleet met uitstekende registers, een uitgebreid notenapparaat en nuttige bijlagen. Aalders heeft de bestaande onderzoeken verrijkt met veel nieuw materiaal en het geheel geplaatst in de geschiedenis van het Derde Rijk. Voor het eerst is nu een uitgebreid, samenhangend beeld te lezen van de roof van de joodse bezittingen in Nederland.

Voordat Aalders de roof van de verschillende soorten joodse bezittingen beschrijft, schetst hij de manier waarop de nazi's de rooftocht organiseerden onder niet-joden. Verschillende instellingen zoals het Vierjahresplan (valuta, goud, en diamanten) en de Einsatzstab Reichleiter Rosenberg (ERR) waren in het leven geroepen om met geroofde deviezen voor de aanschaf van grondstoffen de oorlogsmachinerie op gang te houden en Hitlers museum in Linz te vullen. Deze roofdiensten concurreerden voortdurend met elkaar, maar ook met rijksmaarschalk Goering, die in navolging van Hitler een grote kunstverzameling opbouwde.

De Duitsers deden hun best een legaal tintje aan de roof te geven en formeel te blijven binnen de regels van het uit Landoorlogsreglement (LOR) uit 1907, dat plundering verbiedt. De legale versluiering, eigen aan het nazi-regime dat de volkerenmoord met procedures verhulde, diende om de rust te bewaren. Al te brute roof had kunnen leiden tot het verstoppen van goederen en tot rumoer dat het witwassen van de buit in het buitenland zou bemoeilijken, zodat veel roof indirect plaatshad. Zo werden in Nederland kunsthandelaren gedwongen ver onder de marktwaarde te verkopen, moest De Nederlandsche Bank zijn harde guldens inwisselen tegen waardeloze Reichsmarken en werden de bezittingen van verenigingen eerst op een bankrekening gezet voordat deze werden `overgeboekt' zoals een van de vele eufemismen luidde.

Het was in het bijzonder de joodse bevolking in Nederland die werd beroofd. Aalders komt in zijn berekeningen tot een buit van ten minste een miljard gulden, waarbij de effecten goed zijn voor het leeuwendeel van 300 tot 400 miljoen gulden. Dat lijkt geen overdreven schatting, omdat bijvoorbeeld de gestolen bedrijven voor slechts 75 miljoen gulden staan geboekt, op grond van de absurd lage koopsommen die de Duitsers betaalden. Naar eigen zeggen wordt Aalders' berekening ook bevestigd door de econoom Junz, die in haar nog vertrouwelijke rapport voor de internationale commissie-Volcker (joodse tegoeden bij Zwitserse banken) komt tot een bedrag van 1 tot 1,2 miljard gulden.

Geheel in de stijl van de systematische en pseudo-legale beroving, werden joden door talrijke verordeningen gedwongen al hun waardevolle bezittingen te laten registreren bij de `roofbank' Lipmann Rosenthal & Co. Sarphatistraat (Liro). Dit quasi-filiaal van de oorspronkelijk joodse bank Lipmann Rosenthal & Co. in de Nieuwe Spiegelstraat was de financiële draaischijf in de roof. Na deze registratie moesten de joden hun bezittingen inleveren bij Liro, die een reçu afgaf en de tegenwaarde `stortte' op een nep-bankrekening. De kleine joodse bedrijven werden geliquideerd door Duitse of Duitsgezinde Treuhänder, terwijl Verwalter bloeiende bedrijven voortzetten.

Onroerend goed

Lastiger dan het stelen van joodse bezittingen was het te gelde maken ervan. Goud kon makkelijk worden omgesmolten, harde valuta's eenvoudig gewisseld, maar van huizen in dorpen was bijvoorbeeld bekend dat er joden gewoond hadden. Onder potentiële kopers bestond, zeker na de Duitse nederlaag bij Stalingrad, huiver voor al te `joodse' bezittingen, omdat de regering in Londen dreigde alle transacties na de bevrijding terug te draaien. De regering had in juni 1940 al wetsbesluit A6 uitgevaardigd, waarmee de handel met de vijand werd verboden. In 1943 kwam de `Allied Declaration' van de geallieerden met dezelfde strekking.

Die huiver bestond ook op de Amsterdamse effectenbeurs, waar effecten uit joods bezit op enkele `smijtdagen' massaal tegen afbraakprijzen werden verkocht. Dat de stukken verkocht konden worden was al opmerkelijk, omdat Liro geen lid was van de Vereniging voor de Effectenhandel (VvdE, toen eigenaar van de de beurs). Lipmann Rosenthal aan de Nieuwe Spiegelstraat wel, maar die was alleen in naam verwant met Liro. De beursleden - banken, commissionairs, hoeklieden - lieten Liro toch toe, om de `joodse' effecten niet te verliezen aan Berlijn.

Joh. de Vries heeft deze zaak al in grote lijnen beschreven in 1976, terwijl de historicus J. Meihuizen in 1995 de omstreden rol van beursvoorzitter Overhoff heeft belicht. Toch heeft Aalders hier nieuw materiaal weten te vinden, in onder meer de notulen van de VvdE en in de naoorlogse verhoren van Rebholz, de man die de joodse effecten heeft gesleten. Zo hebben de beursleden aangedrongen op compensatie voor het verlies van de `joodse' omzet en hebben bijna 140 van de 375 leden die gevonden door te handelen in geroofde effecten. Onder meer in de dezer dagen veelbeschreven Amerikaanse aandelen, die duidelijk als Liro-stukken herkenbaar waren door de lage prijs (onder de stopkoers), de nummers, de extra korting van één procent en de `hoek' waar ze werden verhandeld.

Veel beurshandelaren, ook gerenommeerde banken, `bogen voor de mammon', zoals Aalders dat verwoordt. Hun rol `kon niet door de beugel, ook niet volgens de normen van die tijd', is zijn conclusie. Het verweer dat hun aankopen de stukken in Nederland zouden houden, waardoor deze makkelijker te traceren zouden zijn, is niet overtuigend, alleen al omdat er verwoede pogingen werden gedaan de kopers buiten beeld te houden. Anders ligt dat bijvoorbeeld bij de musea die met hetzelfde argument schilderijen aankochten - `verdedigbaar' meent Aalders - zonder de intentie die door te verkopen.

Roofpost

De bevindingen van Aalders over de beurs en de rol van de banken daarbij werpen een ander licht op de werkzaamheden van de commissie-Scholten (financiële instellingen), die eind vorig jaar niets onoirbaars vond - hoewel Scholten anders dan Aalders wel toegang had tot de bedrijfsarchieven. De ruime aandacht die Aalders heeft voor de beurs wordt ook gerechtvaardigd, doordat effecten de grootste roofpost waren. Maar hij besteedt zo veel woorden aan zijn ontdekkingen over de effecten, dat andere roofposten wat ondergesneeuwd raken en de totale weging van de roof wordt bemoeilijkt.

Neem de roof van joods onroerend goed. Met anderen signaleert Aalders dat Nederlandse hypotheekbanken niet stonden te springen om leningen te verstrekken op joodse panden, waarschijnlijk uit vrees een waardeloos onderpand te krijgen. De banken traineerden dermate, dat de Duitsers een eigen hypotheekbank opzetten, die echter nauwelijks van de grond kwam. De rol van de notarissen die verdiend hebben aan de verkoop van panden blijft onderbelicht.

Een ander voorbeeld zijn polissen van verzekeringen. De verzekeringsmaatschappijen moesten melding maken van de `joodse' levensverzekeringen en de ingeleverde polissen afkopen bij Liro. Sommige maatschappijen rekenden daarbij - zo ontdekte Aalders - `de dikste posten' het eerst af, omdat afkopen gunstig was gezien het te verwachten overlijden van de polishouders. Volgens Aalders is onbekend of verzekeraars camouflageconstructies verzonnen om joods vermogen veilig te stellen, maar er zijn zeker twee gedocumenteerde gevallen van `vluchtpolissen' bekend. Het voorkomen van de afkoop was volgens Aalders `op den duur praktisch onmogelijk', maar vorig jaar is ontdekt dat de verzekeraar De Centrale ongeveer de helft van zijn joodse polissen aan het zicht wist te onttrekken.

Het grootste bezwaar van deze beknoptheid - en soms onvolledigheid - is dat het zicht wordt ontnomen op de rol van Nederlandse instellingen als verzekeraars, octrooibureaus en notariskantoren bij de totale roof. Een stevig oordeel als over de beurshandelaren en de banken ontbreekt in veel andere gevallen – gezien het beperke feitenmateriaal dat Aalders hiervoor aandraagt overigens terecht. Een handicap is daarbij de cliff-hanger-aanpak (`wordt vervolgd in deel twee..') van Aalders, die tegenwoordig in zwang is onder historici (Fasseur gebruikt hem in zijn biografie van Wilhelmina, Langeveld in zijn boek over Colijn), waardoor de teruggave van het joodse bezit na de oorlog pas in deel twee aan de orde komt.

Aalders geeft in zijn conclusie over de kunstaankopen door musea aan dat de afhandeling na de oorlog ook iets kan zeggen over de intenties tijdens de oorlog. Dat geldt natuurlijk ook voor andere berovingen en dus voor het oordeel over de totale roof. Zo werd het opportunisme op de beurs in de oorlog weerspiegeld in de door De Jong streng veroordeelde onwilligheid om de effecten na de oorlog terug te geven.

Formalisme

Wie de bevindingen van Aalders combineert met wat al bekend is over het naoorlogs rechtsherstel, ziet een mogelijke verklaring voor de houding van de Nederlandse instellingen: formalisme. Zo verbood de Nederlandse regering de joden het kopen van een Sperrstempel (uitstel van deportatie) omdat handel met de vijand verboden was. Voorts deed de Nederlandse fiscus pogingen de verschuldigde belasting te innen over geroofd joods bezit en het kapitaal dat joden over de grens probeerden te krijgen. De ontdekking van Aalders tekent de Nederlandse verknochtheid aan regels, die er volgens de commissie-Kordes na de oorlog toe leidde dat de overheid de joden vijftig miljoen gulden in rekening bracht voor onder meer administratiekosten.

Het Nederlandse formalisme sloot goed aan bij het `roofuniversum van Hitler', die een `streng gestructureerde, bureaucratische wereld was'. De verordeningen hebben volgens Aalders `vermoedelijk' de hulp door instanties bij de roof vergemakkelijkt. Hun wereld werd erdoor gestructureerd en het is de vraag of de onteigening op zo'n grote schaal had kunnen worden doorgevoerd, als hun niet deze onpersoonlijke, bureaucratische en administratieve houvast was geboden, schrijft Aalders. Hoewel Aalders het verband niet legt, lijkt bij de beroving hetzelfde mechanisme te hebben gewerkt als bij de deportatie: onwil of onvermogen van ambtenaren en employés zich te onttrekken aan regels.

De beurshandelaren lijken de formele regels vooral als schild te hebben gebruikt voor hebzucht, anderen hebben hun medewerking lang getraineerd voordat zij zijn gezwicht. Ergens op de schaal tussen deze twee polen zitten de banken, de ambtenaren en de verzekeraars, die zich na de oorlog vaak zeer formeel opstelden. Wáár op deze schaal, is niet af te leiden uit Roof, omdat de bereidwilligheid van Nederlanders niet bij alle berovingen even diepgaand is onderzocht. Aalders heeft niet meer willen doen dan de roof `aanschouwelijk' te maken, maar onthoudt zich van een moreel oordeel. Door het ontbreken van een compleet, gefundeerd oordeel over Nederlandse instanties - moreel of niet - is zijn op zichzelf heldere beschrijving van de roof minder aanschouwelijk dan die had kunnen zijn.

Gerard Aalders: Roof. Sdu Uitgevers, 331 blz. ƒ49,90