Blijf op je eigen helft! (1)

Midden in de groene, sappige wei stond een HEK. Links daarvan stonden de koeien die net van stal waren, rechts daarvan de schapen. Dat was niet het enige verschil. Aan de koeienkant van het HEK, waar geen dier over kon, groeiden bloemen tussen het gras. Sappige gele bloemen, die koeien graag als toetje eten na een dag grassprieten kauwen. Als je de hele winter op stal hebt gestaan, en alleen maar droog, muf ruikend gras hebt gegeten, dan hap je graag in het malse voorjaarsgras. Dat deden Bertha, Erna, Wilma en Martha dan ook. Ze waren zuinig op hun bloemen, die bij het HEK stonden. Ze plukten graspol na graspol af en zeiden steeds: ,,We wachten met de bloemen. Het lekkerste bewaren we voor het laatst!''

Achter het HEK stonden de schapen, scheel van jaloezie. ,,Waarom hebben wij geen bloemen en zij wel?'' klaagden ze tegen elkaar. ,,Hebben wij daar soms geen recht op? Hebben wij soms niet de hele winter buiten gestaan?'' En ze reikhalsden naar de bloemen en probeerden die met hun tong te grijpen. Eerst hadden Bertha, Erna, Wilma en Martha het niet door. Ze stonden te grazen in een hoekje weiland waar ze nog niet geweest waren. Toen Bertha gewoontegetrouw eens naar de bloemen keek, liet ze een pol gras van schrik van haar tong vallen. ,,De bloemen!''riep ze, ,,De bloemen zijn weg!'' De paniek was groot. Snel renden de koeien naar de plek waar de bloemen hadden gestaan. Ze snuffelden op de grond, en keken toen door het HEK. En nog net zag Bertha dat bij een snel kauwend schaap een geel bloemblaadje uit de bek stak. ,,De schapen,'' riep ze en stormde naar het HEK.

Wordt vervolgd