Bijkomende schade

Er waren een paar Duitse journalisten uit Berlijn op bezoek in Amsterdam. Het was een uur of tien 's avonds; ze zagen er doodmoe uit. ,,Wat hebben jullie zoal gedaan'', vroeg ik, eigenlijk al het ergste vrezend. (Coffeeshops, Rembrandtplein, een paar paddo's gegeten, naar de Walletjes). Het grootste deel van de dag hadden ze in de tram gezeten en naar buiten gekeken, en voor de rest wat rondgewandeld. ,,En wat hebben jullie gezien? Welke kerk vond je het mooist?'' Geen idee. Ze hadden naar de stad gekeken, niets anders dan de stad gezien, een stad die in haar geheel onbeschadigd was, zo'n oude stad als je in Duitsland voor de oorlog er tientallen had, groot en klein. Ze wisten het natuurlijk wel. Maar toch waren ze verbaasd geweest toen ze het zelf zagen: zoiets bestaat dus nog.

Ik ken het gevoel al ben ik me er niet altijd van bewust. In Rotterdam geboren, tot ongeveer mijn 23ste er getogen en daarna in Amsterdam gaan wonen. Als u dit stukje leest op de dag dat deze krant verschijnt, is het op de kop af 59 jaar geleden dat de oude stad van Rotterdam verdween. De geschiedenis heeft vorm gekregen in het beeld van Zadkine, Verwoeste stad. In een huis aan de Oude Binnenweg staat een muur die aangeeft tot waar de brand gekomen is. Verder weet ik niets dat naar 14 mei 1940 verwijst. Er worden op het uur dat de eerste bommen vielen geen twee minuten stilte gehouden, vlaggen half stok gehesen, er staan geen stukjes in de krant. Objectief gezien gaat deze datum van de grootste historische misdaad tegen een Nederlandse stad begaan, onopgemerkt voorbij. Misschien is dat maar goed ook; je kunt niet van de mensen vergen dat ze aan het herdenken blijven. De verzamelplechtigheid op vier mei moet genoeg zijn, en zelfs daar zit al de klad in. Wie iets speciaals te herdenken heeft, moet dat particulier doen. Daar houd ik me aan. Ik merk dat ik er meer aan denk naarmate ik ouder word, en soms stomverbaasd en kwaad tegelijk: hoe konden ze het in hun hersens halen. Dat is na een paar seconden over.

Ik bekijk graag foto's van de stad van vóór de verwoesting. Nu in een boek van Herman Romer, Temidden van het straatgeraas. Het begint met een grote foto van Winkelgalerij de Passage. Wanneer gebouwd? Aan het begin van de eeuw, denk ik. Ook voor bouwwerken, soorten van gebouwen kun je een liefde opvatten. In passages blijft de zomer bewaard. De glazen overdekking is de lichte lucht, het is er windstil en 's winters kon je je muts afdoen. In de passage van Milaan staan de Italianen de hele dag buiten te praten – door Saul Steinberg met grote precisie getekend. De passage in Almere hoort tot de verrassingen van de twaalfde provincie. Praag heeft een ingewikkelde passage zonder bovenlicht; de winkelgalerij van Kafka. De Rotterdamse Passage blijft mijn mooiste.

Ik heb het eerder geschreven, het schiet me nu weer te binnen. Een deel van downtown Manhattan, Nassau Street, Fulton Street, smalle winkelstraten, doen althans in mijn herinnering, aan het Rotterdam van voor de oorlog denken: de Hoogstraat, de Kipstraat, de Hoofdsteeg. Ik weet nog goed dat toen ik daar voor het eerst uit de subway boven de grond kwam, het bijna zeker wist: dit heb ik al eens gezien. Later heb ik me er vaak van overtuigd dat ik me niet had vergist. De illusie is gebleven tot dit kleine deel van Manhattan werd gemoderniseerd, autovrij gemaakt, met terrasjes en design-paaltjes ingericht, wat we verder nodig hebben om ons eigentijds op ons gemak te voelen.

Een stad is een collectief kunstwerk van mensen, dat op den duur uit zichzelf verder groeit, terwijl het een kunstwerk blijft. Zo bewaar je de stad van je jeugd in je geheugen, zelfs als er niets meer van over is: als een compleet kunstwerk. Iemand die een schilderij aanvalt, omdat de aanblik hem niet aanstaat of omdat hij de maker haat, verminkt niet alleen het object, wreekt zich niet alleen op de kunstenaar. Hij ontneemt anderen de verbinding tussen een werkelijkheid en hun geheugen. Vergelijk het met een soort amputatie. Het hoort er te zijn zoals het in je herinnering bestaat, maar de mogelijkheid tot controle is je afgenomen. Zo gaat het met een mishandeld schilderij, zelfs een gestolen boek, en zeker een verwoeste stad.

Wij van de NAVO bombarderen met groter nauwkeurigheid dan ooit in de geschiedenis is vertoond, bruggen, gebouwen, fabrieken die van nut zijn voor de tegenstander. Maar de mens is nu eenmaal niet volmaakt. Soms wordt er goed gemikt en verkeerd getroffen. De bruggen over de Donau zijn verwoest door bedoelde voltreffers. Graag zou ik over een jaar of vijftig iemand willen spreken die over zo'n brug iedere dag van huis naar school en van school naar huis is gelopen. De verbinding tussen wat in zijn geheugen staat gegrift en de nieuwe werkelijkheid, hoort op de persconferenties in Brussel tot de collateral damage.