Bacchanaal in het gombomenwoud

In Zuid-Afrika ligt een verborgen vallei waar boeren woonden die er gewoontes van 150 jaar geleden op nahielden.

Enkele jaren geleden was ik op pad in de uitgestrekte Groot Karoo. Na een lange tocht bereikte ik de plek waar ik zou overnachten, een gehucht vlak onder de Swartberge. Het was een wonderlijk dorp. Ik kwam er een man tegen die al zijn dagen besteedde aan de bouw van primitieve vliegmachines uit onderdelen van afgedankte auto's en windmolens. Hij was bij iedere proefvlucht neergestort, wat hem wel was aan te zien. Op een erf in een straat achteraf sprak ik een bejaarde die bij voorkeur hoog in een boom sliep (ik verzin het niet, hij kroop iedere avond langs een ladder naar de kruin van een melkhoutboom). De boombewoner bleef maar praten. Hij deed zijn best me ervan te overtuigen dat er een direct verband bestond tussen Salomo en de Bosjesmannen en tussen Hitler en Paul Krüger; ik durfde hem niet tegen te spreken. De twee fantasten werden laat op de avond nog overtroffen door een jongen met een pluizig baardje, die mij in de bar van het hotel op Klipdrift vergastte, de lokale brandewijn. Het was volle maan, een gemene wind rukte aan de doornstruiken en aan het kale gezicht van de vlakte. Wilde ik niet met hem mee naar een feest ergens in die halfwoestijn, onder de blote sterrenhemel? Hij keek me geestdriftig aan. Hij beloofde Karoo-spoken, verschijningen en razernij zonder weerga.

Aan het surreële in Zuid-Afrika geen gebrek, werd weer eens bevestigd. Ik had die jongen met de sik beleefd afgewimpeld en was naar bed gegaan, onder de indruk van de verhalen die hier voor het oprapen lagen. Wellicht het meest bizarre verhaal betrof een verborgen vallei, zo goed als onbereikbaar, diep in het tweeëneenhalfduizend meter hoge massief achter het dorp gelegen. Daar woonde een groep boeren – woestelingen eigenlijk – die er nog een vorm van Hoog-Hollands op nahielden. Honderdvijftig jaar lang waren ze van de buitenwereld afgesneden geweest. Ze leefden bij wijze van spreken in de achttiende eeuw, die `liewe, arme, befokte ou boere.'

Over die vallei, in de volksmond `Die Hel' genoemd, gaat André Brinks vuistdikke roman Duivelskloof. Brinks hoofdfiguur maakt de tocht waar ik indertijd van afzag (te veel Klipdrift, geen vervoer). Flip Lochner is een wat oudere, mislukte journalist die nog een keer wil schitteren en zich heeft voorgenomen de ware geschiedenis van de vallei te boekstaven. Hij zal in Die Hel echter voornamelijk dát aantreffen wat mij die avond aan de tap in het Karoo-dorp werd voorgeschoteld: spinsels, geesten, fabels, wanhoop en gesublimeerde roddel. Roddel neemt in zuidelijk Afrika een verbeten vorm aan. Vrijwel ieder relaas heeft een aan het magisch realisme grenzende mythische dimensie. Met kwade opzet, ga je haast denken. Alsof men alleen van fantomen wil leven, omdat dat de simpelste oplossing is voor het ontbreken van een historisch perspectief.

Whisky

Brink (1935) maakt die hang naar het ongerijmde en het bovennatuurlijke zélf tot onderwerp. Zijn alter ego Lochner reist met een bandrecorder, een fles whisky en een slof sigaretten op zak naar de steile Swartbergpas. Wanneer hij de ingang van de kloof bereikt, staat daar een norse, stokoude bewaarengel die hem tot zijn verbazing aanspreekt met de woorden, `ik zat al op je te wachten.' Hij waarschuwt de journalist dat hij beter kan omkeren voor het te laat is. Als Lochner aandringt, blijkt dat er voor zijn verblijf al maatregelen zijn getroffen; hij kan logeren in het huisje van Poppie Vollemaan, de dorpsverpleegster. Onder hem strekt een ijzingwekkende scheur in de aarde, met golvende rotsformaties in alle mogelijke kleuren, `het soort landschap waarin een mens verandert in een mier'. En ver in de diepte, omringd door loodrechte wanden, ligt het dal – dertig kilometer lang en ternauwernood een kilometer breed.

Flip strompelt omlaag langs een onduidelijk spoor, een hachelijke onderneming. Hij zal slechts zeven dagen blijven. Meteen al bekruipt hem het gevoel dat hij een gebied betreedt waar de scheiding tussen droom en daad nooit zijn beslag heeft gekregen. En ja, nauwelijks is hij tot op de bodem van de vallei afgedaald, of hij ontdekt achter het struikgewas een meertje. Een jonge vrouw klautert uit het water. Ze staat aan de oever poedelnaakt haar natte haar uit te wringen. Hij slaat de ogen neer. Een ogenblik later is het idyllische tafereel in het niets opgelost. Wat is toch de betekenis van deze kitscherige geestesspiegeling, mijmert Lochner een tijdje door. Hij had zich betrapt gevoeld; niet zij, maar hij geneerde zich – iets dat hij wijt aan zijn calvinistische opvoeding, een gevoel van bezoedeling `als een smerige rand in de badkuip.'

Kitsch, calvinisme en primitieve moordzucht overheersen de rest van de vertelling – zoals ze tegenwoordig het zelfbeeld van de Afrikaanssprekende blanke overheersen. Want Duivelskloof leest als één lange gedreven parabel op de Werdegang van de Afrikaner, met het mysterie van de waternimf als onzekere sleutel. De geruchten zijn niet van de lucht. Komt ze van buiten? Is ze een indringer of juist het produkt van gemengde voorouders binnen de vallei, iemand over wier afkomst je beter kan zwijgen? Het groepje boeren in dit door droogte en onheil getroffen oord is bezeten van raszuiverheid en leeft strikt volgens `de wetten die aan het volk Israëls zijn opgelegd.' De Heer spreekt in de Duivelsvallei inderdaad nog galmend Hoog-Hollandsch maar ondertussen kruipt het bloed waar het niet gaan kan. De gelovigen houden er gewoonten op na die aan een natuurvolk doen denken. De verpleegster Poppie Vollemaan onderscheidt zich in niets van een traditionele zwart-Afrikaanse heler, of een middeleeuwse kwakzalver. Flips aanwezigheid in de Duivelsvallei moet er eerst door de schaduwen (in de vorm van de overleden stamvader) worden goedgekeurd. Pas daarna dringt hij enigszins door in de wereld van verzinsels en excessen waarmee de levenden zich hier staande houden.

Venus

Gaandeweg wordt Lochner, net als de lezer, uit het vlechtwerk van leugens en bijgeloof steeds minder wijs. Van verslaggeving zal geen sprake zijn, op geschiedschrijving rust hier een vloek. De stamboom van Emma – nimf, Venus, bastaardkind of allen tegelijk? – moet vier of vijf keer worden bijgesteld. En er is meer: de bakvissen van het gemeenschapje richten 's nachts bacchanalen aan in het gombomenwoud; andere bewoners maken zich schuldig aan steniging, collectieve geseling, slachtpartijen en necrofilie. Lochner wordt ter bescherming tegen dit alles een talisman aangemeten, een kameleon die hij als geleigeest rond draagt op zijn schouder. Het beestje zal uiteindelijk levend worden begraven om een eind aan de periode van droogte af te dwingen. Maar in plaats van regen volgt oudtestamentische rampspoed en een zee van vuur, alsof Jahwe zich wil wreken op zoveel heidense stompzinnigheid en fanatisme.

Zijn we nog wel in Zuid-Afrika? Jawel, we zijn herkenbaar in het hartland van de Karoo, en de verteller is – op het banale af – Afrikaan. André Brink moet zich hebben zitten verkneukelen. De roman is even vermakelijk als meeslepend uit de losse pols geschreven. Zijn held kan doorgaan voor het toonbeeld van een mielie-cruncher (maïs-eter): sterk behaard, naïef, en te oordelen naar zijn natte dromen en escapades ook nog het slachtoffer van een teveel aan testosteron. Maar maak nie saak nie, wat blijft is een ontluisterend portret van een verdwaald en door schaamte en geestelijke inteelt getekend volksdeel.

Flip Lochner ontsnapt ternauwernood aan de gevolgen van zijn particuliere waarheidscommissie. Hij krabbelt ten slotte uit de gleuf in de Swartberge omhoog naar de werkelijkheid van 1999, panisch bevangen, terwijl het satansgebroed onder hem de vuurdood vindt. `Er ligt een verschrikkelijk stilte over de bergen. (-) Het enige waarover ik beschik een onmogelijke knoop van tegenstrijdige verhalen. Slechts een eindeloos verglijden van het ene verhaal in het andere.' Iets verderop, bovenaan de pas, ziet hij weer de oude patriarch, de bewaarengel, `met zijn bepiste baardje pluizig in de wind'. Wat de verslaggever nog te doen staat, is dit heerschap passeren. Hij hoort hem in archaïsch Afrikaans herhalen: `Ek had hier gesit wag vir jou.' Dit is de laatste beproeving en of Lochner haar doorstaat blijft in de lucht hangen. Na krap 400 bladzijden slaan we het boek dicht en leunen onthutst achterover.

Wat nu, met die liewe, arme, befokte ou boere?

Het is een vraag waar men in Nederland niet wakker van zal liggen (in dit verband: wanneer verdiepen wij ons eens echt in het lot van de Afrikaanssprekende in Zuid-Afrika, blank en zwart, zijn taal en literatuur en het verleden van zijn cultuur). `Die Hel', of Gamkaskloof zoals de nederzetting in het echt heet, is eerder beschreven door Breytenbach in Een seizoen in het paradijs, maar Brink heeft hele andere, nogal misantropische bedoelingen gehad, gezien de sardonische lading van zijn roman. Eenvoudig gezegd, `de hemel die het Afrikanerdom in isolatie opzocht is zijn hel geworden' en daar lijkt geen ontsnappen meer aan. Je zou verwachten dat deze troosteloze constatering hem kwalijk zou worden genomen; het gekke is echter dat Duivelskloof ook in behoudende kring enthousiast ontvangen werd, en niet uit masochisme alleen zoals de schrijver aanvankelijk veronderstelde. De Afrikaner beleeft op dit ogenblik zijn `Stunde Nul'. Hij klimt uit een diep en pijnlijk dal en lijdt aan wat Brink – in een zojuist vertaalde essaybundel Herontdekking van een continent – de `fantoompijn van de macht' noemt.

Stigma

Het begrip `Afrikaner' was aan herwaardering toe, besefte iedereen, en er zijn tekenen dat het eindelijk van zijn politieke stigma wordt ontdaan. De thuiskomst in Afrika – een repeterend thema bij schrijvers in het Afrikaans – moet van voren af aan worden opgezet; iets dat hoort bij `een moeilijke herontdekking van een continent dat we ooit dachten te kennen, maar waarin wij helemaal opnieuw onze plaats moeten vinden.' Brinks laatste roman helpt een stuk op weg en dat alleen al maakt het belangwekkend.

Niet lang geleden, tijdens een lezing op het platteland, verduidelijkte de schrijver dat Flip Lochner aan het slot zijn dood tegemoet gaat, `want die opset van die hele ding was, dat wanneer die engelbewaarder van die vallei aan hom verskyn, hy nie lewendig hier sal uitkom nie.'

Er veerde ogenblikkelijk een Tannie uit het gehoor op om hem tegen te spreken.

,,Maar skuus tog meneer Brink, Flip heeft aan het begin toestemming gekregen om naar binnen te gaan. Wanneer hij op het dooie eind weer aan komt zetten, dan moet die oude man daar juist weer staan, om te bevestigen dat hij nu zijn verslag kan gaan maken. Het feit dat wij uw boek bezitten, bewijst dat hij is ontsnapt. Daar putten wij hoop uit voor de toekomst.'

Wellicht wordt de laatste beproeving toch doorstaan. Wat Lochner in de vallei aantreft, is wat de meest traditionele (blanke) Afrikaners in hun geweten aantreffen maar waar ze Oostindisch blind voor waren gebleven: `n vrot plek. Het blijkt een hele opluchting te zijn om die rotte, beurse plek in één keer op de vertrouwde licht surrealistische manier gerelativeerd te zien. In de vuilnisbak ermee, daar komt het op neer. De nachtmerrie van de zelfgekozen ballingschap, 150 jaar eenzaamheid en de mythomane wanen die daar het gevolg van waren, zijn voorbij, ook de Afrikaner kan zijn huis gaan inrichten.

Een opmerkelijk huis. Het lijkt meer op een zwarte Afrikaanse woning, aangestampte aarde en al, dan ooit in de bedoeling lag. De voorvaders nemen er – in ere hersteld, met als hun snaakse onhebbelijkheden, baarden, voorladers, knuppels, pijlen, bogen, animisme, bijgeloof, bijbel en koran – een ruime plaats in. De klip- en klepperklanken die ooit uitsluitend in die kombuis te horen waren en in het achterhuis, hebben bezit genomen van het voorportaal. Salomo heeft zich met Krüger verzoend en wij hoeven niet meer zo nodig in een melkhoutboom te kruipen, want was was dat anders dan armoede en escapisme?

En de echte Duivelsvallei? Ik heb nog steeds geen bezoek afgelegd aan Gamkaskloof. Feitelijk is ze opgehouden te bestaan, zoals de roman aangeeft. De laatste bewoners zijn naar het dorp aan de andere kant van de Swartberge vertrokken en slijten hun oude dag in het Nieuwe Zuid-Afrika. De eigenaardige mengeling van Afrikaans en Hollands dat zij spreken, zal wel nooit volledig worden onderzocht. De vallei is tegenwoordig in beheer bij de Kaapse Parkraad en is een natuurreservaat geworden. Aan de restauratie van het huisje van `Tante' Lenie Marais — de medicijnvrouwe uit het boek — wordt driftig gewerkt door de Simon van der Stel Stichting. Toeristen zijn welkom. Wie er wil overnachten moet even contact opnemen met het Fransie Pienaar museum te Prins Albert, telefoon 366.

André Brink: De Duivelsvallei. Uitg. Meulenhoff, 392 blz. ƒ49,90. Herontdekking van een continent, essays. Uitg. Meulenhoff, 224 blz. ƒ39,90.