Anti-held in de hulp

Met hoeveel genoegen zal Ferdinand van Dam toezien hoe minister Herfkens het roer bij Ontwikkelingssamenwerking omgooit? Wie Omzien naar de Derde Wereld leest, moet concluderen dat Van Dam nu zijn finest hour beleeft. Altijd al gelijk hebben gehad en het na twintig jaar nog krijgen ook.

Zou Van Dam, ex-topambtenaar bij Ontwikkelingssamenwerking (hij was plaatsvervangend directeur-generaal van 1979 tot 1982) daarom snel deze bundel van zijn artikelen en commentaren hebben samengesteld, om het iedereen nog eens in te peperen? Veel tijd kan het niet hebben gekost: voor het maken van een namenregister is niet de moeite genomen.

Het inpeperen past bij Van Dam, die de provocatie altijd goed heeft weten te hanteren. Jarenlang heeft hij de Nederlandse ontwikkelingslobby het bloed onder de nagels vandaan gehaald. Dat begon al in 1964 toen hij in zijn (niet opgenomen) openbare les in Groningen als buitengewoon hoogleraar economie van de ontwikkelingslanden de naïeve sentimentaliteit van het ontwikkelingsbeleid hekelde. `De drijfveren van schuld en boetedoening betekenen dat het offer meer telt dan het resultaat,' schrijft Van Dam.

Het is vreemd dat dit soort uitlatingen lange tijd zoveel kritiek en zelfs woede opriep. Van Dam mag dan provocerend of cynisch overkomen, uit deze artikelen blijkt opnieuw dat hij zijn stellingen uitstekend onderbouwt. De woede die hij in de jaren zeventig en tachtig wekte, illustreert eerder de onwil van de ontwikkelingslobby in die periode om echt na te denken.

Van Dam gaat uit van het inzicht dat `Derde Wereld' en `Noord-Zuid' statische en onhistorische begrippen zijn, die de onderontwikkeling in de regio eerder hebben bevorderd dan bestreden. De notie `Derde Wereld' ontstond in Europa in de jaren vijftig, toen pas enkele koloniën zelfstandig waren geworden. Het was een verwijzing naar de `derde stand', de sociale klasse die aan veel gebrek had, maar alles zou verwerven.

Die belofte raakte echter ten aanzien van de `Derde wereld' sleets en verdween uiteindelijk. `De tweedeling die rond 1950 is geformuleerd werd en wordt als onveranderlijk gepresenteerd', aldus Van Dam in zijn oratie `De Derde Wereld als verdichtsel' (1988). `En of dat nog niet genoeg is: met grote regelmaat worden we getrakteerd op manifestaties en campagnes die, met behulp van popconcerten, marathons en feestmarkten, het Noord-Zuidbeeld inscherpen.' Dat was tegen het zere been in Nederland `gidsland'.

Van Dam hekelde in feite het neerbuigende karakter van die benadering van ontwikkelingslanden. `Het miskent hun wordingsgeschiedenis en verscheidenheid, het ontkent eigen kracht en inventiviteit.' De Novib kwam juist toen met een koerswijziging en schreef een prijsvraag voor foto's van `het andere beeld' van de Derde Wereld uit. `Die prijsvraag komt veertig jaar te laat', aldus Van Dam. En hij kon het zeggen, want hij zei het al eerder.

Ook alweer enkele jaren geleden keerde Van Dam zich tegen het heilige huisje van de `projecthulp', omdat dat geld in een bodemloze put verdween bij slecht beleid in het ontvangende land. Ook verzette hij zich tegen de `maakbaarheid' van de hulp, waarbij aan ontwikkelingslanden zeer gedetailleerde voorwaarden worden gesteld. Al in 1978 pleitte Van Dam voor simpele betalingsbalanssteun aan landen met een goede economische groei en een goede inkomensverdeling. In het nieuwe beleid van Herfkens klinkt Van Dams echo onmiskenbaar door. Niet helemaal verwonderlijk, want beiden werkten bij de Wereldbank.

Van Dam's bundel krijgt zo wel iets van `kijk-mij-eens-slim-zijn'. Hij was weliswaar een van de weinigen, maar ook weer niet de enige die zich destijds zo kritisch opstelde. Wel is Van Dam zo sportief om ook een canard van zichzelf op te nemen, namelijk zijn voorspelling dat de Japanse financiële markt de Amerikaanse zou gaan overtreffen.

Waar Van Dam zich wèl drukt, is over Suriname. Hij volstaat met het opnemen van een eerder in HP/De Tijd gepubliceerd gesprek. In dat stuk ontbreekt een kritische vraag over Van Dam's eigen rol. Jarenlang was hij Nederlands voorzitter van de bilaterale Commissie Ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname (Cons) die over de miljardenhulp aan Suriname ging. De mislukking van die hulp kleeft ook Van Dam aan. Van een vernietigend rapport van de Rekenkamer over de geldverspilling wilde hij destijds niets weten. Waarom stapte hij niet op?

Zo zijn er meer vragen. Jarenlang adviseerde Van Dam als topambtenaar het minister van Ontwikkelingssamenwerking, waarop hij tegelijk zoveel kritiek had. Voor het publieke debat is het jammer dat Nederlandse ministers en ambtenaren zo zelden hun memoires schrijven. Wie Van Dams visies tot zich neemt, kan zich er in elk geval over verbazen dat de politiek zich zo lang weinig fundamentele vragen over de miljardenhulp heeft gesteld, en dat het zelfs aan intellectuele eerlijkheid lijkt te hebben ontbroken.

Ferdinand van Dam: Omzien naar de Derde Wereld. Artikelen en discussies over het ontwikkelingsvraagstuk, 1978-1998. Sdu, 158 blz. ƒ34,90