Ze willen niet dat wij rijk worden

Afgelopen vrijdag protesteerden actiegroepen bij de aandeelhouders- vergadering van Shell tegen de ontwikkeling van een olieveld in Tsjaad, omdat zij dat tot een `ecologisch en menselijk drama' zien verworden. Wat is er precies aan de hand in Tsjaad? Over een unieke samenwerking tussen Wereldbank, oliemaatschappijen en de Tsjadische staat. En de onduidelijke rol van plaatselijke ontwikkelings- organisaties en Europese milieugroepen.

Abderahman Dadi is achter de schermen al meer dan twintig jaar een van de machtigste mensen in Tsjaad. Het spreekt bijna vanzelf dat hij nu voorzitter is van de regeringsequipe die met Esso onderhandelt over de prijs die Esso, Shell en Elf moeten betalen om de olie in Tsjaads bodem te mogen exploiteren.

In zijn kantoor legt Dadi een kladblok op het koffietafeltje, dat meteen instort. Vervolgens probeert hij, af en toe de wijde mouw van zijn boubou opschortend, zeker tien minuten lang de poten er weer recht en in evenwicht onder te krijgen, tot hij het opgeeft. ,,Nou ja, het begin van uw artikel heeft u'', zegt hij. ,,Zullen uw lezers zich kunnen voorstellen dat in het kabinet van de president zulke meubels staan? Wij zijn op vijf na het armste land ter wereld. De olie-inkomsten zouden ons staatsbudget verdubbelen. Het olieproject is van levensbelang.''

Maar er is kritiek. Niet-gouvernementele organisaties (ngo's) zijn bezorgd over schade aan het milieu, en vrezen dat de Tsjadische bevolking net zo weinig van de rijkdom zal profiteren als bijvoorbeeld de arme boeren in Nigeria deden. De hardste kritiek wordt geuit door Europese, voornamelijk Duitse, milieuorganisaties.

Abderahman Dadi verbergt zijn ergernis niet: ,,Als ze zeggen dat het geld in onze broekzakken blijft hangen, zeg ik: we zullen zien. Maar als ze zeggen dat de olie niet goed is voor Tsjaad... Dat maakt me razend.''

De olie bevindt zich in de buurt van Doba, in de zuidelijke prefectuur Logone Oriental. Als de Wereldbank deze zomer akkoord gaat met de voorbereidingen voor ontginning, zou de eerste olie in 2002 vloeien. In de eerste jaren worden dan 225.000 vaten per dag geproduceerd, door een consortium onder leiding van Esso. Ook Shell en Elf nemen daaraan deel (respectievelijk 40, 40 en 20 procent). De olie wordt afgevoerd door een 1.050 km lange pijpleiding door Kameroen.

Directe werkgelegenheid zal het project slechts bieden aan enkele honderden Tsjadiërs. Maar bij een olieprijs van 15 dollar per vat zou Tsjaad in totaal 1.200 miljoen dollar verdienen, plus zeker zoveel aan belastingen en inkomsten uit afgeleide economische activiteiten. Per jaar rekent het land op ongeveer 100 miljoen dollar inkomsten, dat is evenveel als het hele overheidsbudget (zonder buitenlandse hulp) nu bedraagt.

Het is veel voor een land dat nog geen 300 km geasfalteerde weg bezit, waar een zinken dak op je huis een zeldzame luxe is, en waar zelfs de minister overdag geen brief kan uitprinten, omdat de elektriciteitscentrale, (die toch maar in de helft van de behoeften van de stad kan voorzien) stilligt nu Nigeria geen benzine meer levert.

Bij de bevolking groeit heel langzaam het vertrouwen dat ook gewone mensen de gunstige effecten van een groei van de economie zullen zien. Dat komt vooral door de grote bemoeienis van de Wereldbank. Het is voor het eerst dat de bank door zowel een staat als door de privé-sector, het consortium van oliemaatschappijen, gevraagd is om zich zo te engageren – en Tsjaad en Kameroen 120 miljoen dollar te lenen waarmee ze hun aandeel in de nationale exploitatiefirma's kunnen financieren.

De oliemaatschappijen hopen dat de betrokkenheid van de Wereldbank een zekere garantie biedt voor politieke stabiliteit in deze bewogen regio. In ruil vroeg de Wereldbank hen om uitgebreide milieustudies te laten uitvoeren. Mede onder druk van de groene organisaties wordt de grootst mogelijke zorgvuldigheid geëist en er wordt veel meer tijd voor uitgetrokken dan ooit eerder het geval was.

Tsjaads regering wil van de Wereldbank advisering bij het financiële beheer van zo'n groot project. Zij hoopt zo kritiek op mismanagement te ondervangen. ,,Over soevereiniteit wilden we niet preuts doen'', zegt Dadi. Daar geeft hij dan ook veel van op. De bank is blij met dit ,,experiment'' en zet op alle mogelijke manieren mensen en procedures in die moeten leiden tot transparantie van de hele overheidsadministratie.

Een van de resultaten is een opzienbarende wet over het beheer van olie-inkomsten die in december '98 in het Tsjadische parlement werd aangenomen. Daarin wordt de verdeling van oliewinsten over sectoren van ontwikkeling en bestuur procentueel vastgelegd. Bovendien wordt de controle op de opname en besteding van het oliegeld erin gewaarborgd. ,,Zulke wetgeving was er in Nigeria, Benin of Congo niet'', vertellen mensen elkaar. De inkomsten worden gestort op aparte rekeningen, zodat ze zichtbaar blijven. Vier verschillende lichamen, nieuwe en bestaande zoals het parlement, zullen controle uitoefenen op opname en besteding van het geld. De meeste leden daarvan zijn indirect aangewezen door de overheid ofwel lid van de regerende partij, de MPS. Aan de kwaliteit van hun controle kan men dus twijfelen. Maar als reddende engel houdt ook hier de Wereldbank de wacht.

Nog een andere ontwikkeling zou hoop moeten bieden op werkelijke winst voor de bevolking. Zowel Esso als Shell werkte de laatste jaren aan maatschappelijke gedragscodes. Ze willen voor dit soort projecten een `license to operate' van de `civiele maatschappij'. Sinds drie jaar informeert en consulteert Esso daarom geregeld de dorpen langs de pijplijnroute. Het bedrijf rekent erop dat de ngo's de bevolking zullen helpen om de grote economische veranderingen die gaan komen op te vangen, door bijvoorbeeld steun bij landbouwhervormingen en de opzet van spaar- en kredietsystemen.

Maar die vlieger gaat voorlopig niet op. De ngo's weten nog niet welke rol ze willen spelen. Het zijn plaatselijke ontwikkelingsorganisaties, bemand door Tsjadiërs, die zich vooral bezighouden met kredietverlening en landbouwvoorlichting. Begin 1998 organiseerden ze samen met Duitse ontwikkelingsorganisaties een debat tussen de betrokken partijen. Sindsdien zijn ze echter alle doelgerichtheid kwijt. Ze klagen erover dat ze de ervaring en de capaciteit missen om alle documenten, wetsvoorstellen en studies die geproduceerd worden te analyseren en op hetzelfde niveau mee te praten met de regering en het consortium.

Mee blijven praten willen ze wel, maar als wat en met welk doel? Sommige ngo's laten weten dat ze niet als vertegenwoordigers van de bevolking gezien kunnen worden – tot grote verwarring van de oliemaatschappijen en de bevolking van de Logone provincies zelf, die dachten dat dat nu juist bij uitstek hun rol was.

De ontwikkelingsorganisaties hebben wel met succes gepleit voor een hogere vergoeding van Esso voor mangobomen die gekapt moeten worden voor de aanleg van de pijplijn. Maar ze praten niet mee over grondrechten, over de manier waarop inkomsten in een Regionaal Ontwikkelingsplan voor de olieproducerende regio verdeeld zullen worden, over bevoegdheden van instanties die de bevolking bij eventuele toekomstige problemen zouden kunnen vertegenwoordigen. Die kans hebben ze, maar ze laten hem liggen.

Guidingar Berasside – voorheen journalist, een soort zwarte Kuifje – is sinds kort secretaris van de Commission Permanente Petrole van de lokale koepel van ngo's. Een betere hadden ze niet kunnen krijgen. ,,Maar we hebben veel meer deskundigheid nodig'', zegt hij. ,,Juristen bijvoorbeeld om de wetten en contracten te bestuderen. De ngo's zijn de enige partij in dit spel die geen advies krijgt van buitenlandse consultants.''

Behalve dan van de Europese milieuorganisaties, die op de ngo's zijn neergestreken met hún analyses en kant-en-klare schema's over onrecht en uitbuiting. Dat geeft de ngo's houvast bij de ontmoetingen met de andere partijen. Maar het brengt ze tegelijkertijd in verlegenheid. Want in de praktijk praten de milieuorganisaties niet over voorwaarden waaronder de oliewinning de bevolking vruchten kan opleveren, maar over het stoppen van het project. En dat zouden de meeste Tsjadiërs betreuren. Zelfs, zo zegt hij, het parlementslid Yorongar Ngarleji, die in 1998 de enige was die niet voor het convenant stemde waarin de regering de oliemaatschappijen de rechten op ontginning verleent. Maar hij stemde ook niet tegen.

Een vooraanstaand woordvoerder van de ngo's: ,,Milieuorganisaties uit Europa komen ons – op buitengewoon agressieve toon – vertellen dat we het project moeten weigeren, boycotten. Dat we niet mee moeten doen met gesprekken, omdat consortium en Wereldbank onze betrokkenheid slechts als excuus zouden gebruiken. Maar zo werkt het hier niet. Het is het verkeerde soort steun.''

Door die associatie met de Europese milieuorganisaties en de geruchten erover, is in Tsjaad het beeld ontstaan dat de ngo's tegen het olieproject zijn. Djimtoloum Mbai verbouwt katoen en graan in een dorp bij Doba. ,,Esso begrijpen we'', zegt hij. ,,Die willen winst maken. Duidelijk. Maar de ngo's zijn niet eerlijk. Ze zeggen dat ze ons willen helpen, maar we zien ze nooit. Sommige mensen zeggen dat de ngo's de olie niet willen omdat ze niet willen dat wij rijk worden. Want dan hebben zij niks meer te doen.'' Een buurman nuanceert: ,,Zij rijden al in terreinwagens, het is hun probleem gewoon niet.''

Ze doen de ngo's geen recht. Die hebben eenvoudig niet de capaciteit om op lange termijn de belangen van de bevolking ten aanzien van de olie-exploitatie in te schatten. Dus weten ze ook niet of ze een rol kunnen spelen bij de behartiging van die belangen. En hoewel capaciteitsopbouw en opbouw van de `civil society' de stokpaardjes van Europese ontwikkelingsorganisaties zijn, krijgen ze van die kant weinig hulp.

In Nederland zijn het de medefinancieringsorganisaties Bilance en Icco die organisaties in Tsjaad subsidiëren en adviseren. Zij doen hun best om hun eigen ideeën over capaciteitsopbouw niet aan de `partners' op te dringen.

In principe reageren ze slechts op expliciete aanvragen – die tot nu toe niet kwamen omdat de ngo's in Tsjaad niet weten wat ze precies zullen vragen. Nel Veerman van Bilance: ,,We zijn daar alweer wat minder strikt in dan vroeger. We zouden in theorie wel meer eigen intiatief kunnen nemen, maar aan Tsjaad besteden we toch al erg veel energie in verhouding tot de omvang van het budget voor dat land.''