Sterke schrijvers en een hoop non-talenten

Heeft de Vlaamse literatuur bepaalde eigenschappen die verschillen van de Nederlandse of ligt het aan de Nederlander die zich bij voorbaat vastklampt aan het gemakkelijke beeld van de barokke boer aan zijn voeten?

VLAANDEREN HEEFT een eigen minister-president. Hij vloeit voort uit de staatshervorming, heet Luc van den Brande, is een kopstuk van de CVP (de Vlaamse versie van het CDA) en doet graag boude uitspraken over de Vlaamse volksaard. Ooit werd hem voor de televisiecamera van de VRT gevraagd hoe hij die volksaard dan wel zou omschrijven. Blind voor de futiliteit van zijn eigen woorden kwekte de minister-president gretig dat de Vlaming pragmatisch was, ,,en bovendien anders''. En, voegde hij daar glimmend aan toe, de Vlaamse letteren getuigen hiervan.

Ik kan me er weinig bij voorstellen. De Vlaamse letteren op de drempel van het volgende millennium pragmatisch? En anders? Dan wat? Anders dan de hautaine breedsprakerigheid van die verdomde Bataven wier uitgevers met hun mercantiele geest onze beste schrijvers hebben ingelijfd? Dát is pas pragmatisch wezen. Een volksaard omschrijven leidt meestal tot holle retoriek. Ook elke inkapseling van het begrip `Vlaamse letteren' valt in algemeenheden uit elkaar.

Zoals Vlaanderen een mank pratende minister-president heeft, zo heeft het ook een iets vlotter gebekte intelligentsia. Voor hun kritische geest is Van den Brande natuurlijk Gefundenes Fressen, een slachtrijp konijn dat hun tweeloops met pretoogjes tegemoet huppelt. Tegenover de geëxalteerde legitimatiedrift van de minister-president plaatst de intellectueel zijn afkeer van elke categorisering, zeker van de volksaard. Over de aard van de Vlaamse letteren ontstaan in Vlaanderen dan ook geen hooggestemde polemieken.

Die afkeer heeft ook iets krampachtigs. Die vraag naar een eigenheid, bijvoorbeeld van de Vlaamse letteren, is immers op zijn minst een interessante invalshoek voor een inhoudelijke discussie. Zolang je er maar geen definitief antwoord op verwacht. Als je er zelf niet over praat, blijft de goegemeente boven de Moerdijk natuurlijk tot het einde der tijden enkel kakelen over `dat sappige Vlaams'.

Om dus met het grootste halve misverstand te beginnen: natuurlijk wordt in Vlaanderen soms opvallend zwierig, uitbundig, zelfs ronduit barok geschreven. Door de debutant Erwin Mortier bijvoorbeeld, maar ook door godfather Hugo Claus, door Leo Pleysier en Pol Hoste. De zeker in Nederland veronachtzaamde romancier Pjeroo Roobjee spant met zijn exuberante taalexploten de kroon. Hun boeken zijn geen rationalistische systeemromans, ze vertellen vanuit een aantal beelden en associaties. Die intuïtie maakt ze voor een Nederlander misschien terzelfdertijd ongrijpbaarder en aantrekkelijker. Dat zal dan wel de kracht van het exotisme zijn.

Is de nieuwe generatie Vlaamse schrijvers tegenwoordig niet meer in het dialect opgevoed, dan toch in een soortement tussentaal, halfweg Algemeen Nederlands. Die spanning berooft de taal van zijn evidentie (Charles Ducal dichtte ooit: Het woord is vlees, maar niet vanzelfsprekend. / Ik hang als een teek aan de taal). Dat levert een ontspoord taalgebruik op. Noem die taalslag Bourgondisch, noem het Barok, noem het Breugeliaans.

Alleen is die charme maar het halve verhaal. De verhouding tot de taal is zo veel complexer. De Vlaamse letteren stoppen bovendien niet bij spraakmakers als Tom Lanoye en Hugo Claus. Het Nederlandse publiek haakt misschien graag op hun werk in omdat het zo mooi past binnen het gemakkelijke beeld van de barokke boer aan zijn voeten. De toch ook populaire boeken van Kristien Hemmerechts zijn echter al een stuk strenger opgebouwd, en strakker verteld. In de gedichten van Paul Bogaert en Bart Meuleman dringen Vlaamse taalelementen binnen als waren het Fremdkörper.

En de Nederlandse letteren zijn toch ook geen exclusief kouwekikkergebeuren? Of zijn Wessel te Gussinklo, A.F.Th. van der Heijden en Thomas Rosenboom plotsklaps `Vlaams'? Is dat label barok niet een gemakkelijkheidsoplossing om verdere onwetendheid onder te stoppen?

Ik haal nog zo een label van stal waarmee je de meest grijze middelmaat als dorpsgekken naar het donkere bos kunt verbannen: de Vlaming schrijft experimenteel. U weet wel: van die gehakte taalcoupletten waarmee de roman zichzelf zou herbronnen. Strip de traditie van je lijf, trek vervolgens je broek over je hoofd en hop: een nieuwe lente. Het lijkt me soms veeleer het tegenovergestelde.

Met het zielenleed dat een criticus van Vlaamse letteren in een jaar over zich heen krijgt, vul je de RAI en het Antwerpse Sportpaleis samen. In de honderdvijftig samengebonden bladzijden middelmatigheid waarmee zoveel Vlaamse debutanten elk jaar een wanhopige gooi doen naar literaire onsterfelijkheid overheerst het superrealistische autobiografisme, het rechttoe rechtaan vertelde huis-, tuin- en keukengebeuren. Vroeger kon je er van op aan dat dit soort boekjes in Vlaanderen bleef, maar tegenwoordig vinden ze ook al een uitgeefstek bij de fine fleur van de grachtengordel.

De Vlaamse letteren hebben zeker wel een formalistische experimenttraditie gehad: Ivo Michiels en (de vroege) Paul de Wispelaere zijn misschien wel de bekendste voorbeelden. Ze schrijven nog, maar er zit behoorlijk sleet op. Vooral over het absolute experiment doen literaire smaakmakers in Vlaanderen tegenwoordig nogal lacherig. Niemand identificeert zich nog graag met de wollige pretentie van het absolute proza. Alleen de overleden Daniël Robberechts blijft recht. Dat experiment liep trouwens deels parallel met een neoromantische opwelling van realisme met identificatiefactor honderd. Herman de Coninck was daarvan de bekendste vertegenwoordiger.

Een hemelbestormende avant-garde bestaat in de Vlaamse letteren anno 1999 niet, net zomin als alle boeken zouden gaan over hoe fout we wel niet waren tijdens de Tweede Wereldoorlog en hoe laveloos we drinken en in ons donkere aardse bestaan wegkruipen om die tijd te vergeten. Net zomin als iedere Belg een kelder vol kinderen en videocamera's heeft.

Interessant proza is er genoeg, en ook treedt in Vlaanderen op dit moment een heel talentrijke generatie nieuwe dichters aan: Paul Bogaert, Bart Meuleman, Miguel Declercq, Jan Lauwereyns. Hun gedichten zijn zo bijzonder omdat die zich heel intelligent naast dat hanige gevecht tussen klef realisme en star experiment plaatsen. Heel bewust geschreven, aan die problematiek schatplichtig, maar niet gedwongen.

Kortom, het wordt weer eens tijd om de Vlaamse letteren tot u te nemen. Niet omdat ze zo enig zijn als aapjes in een zoo, niet vanuit een of ander cultureel correct minderhedenbeleid. Gewoon omdat het beste ervan wel eens interessant zou kunnen zijn, evidenties stript, het denken licht en esthetisch genoegen betekent. De Vlaamse letteren hebben een kern van sterke schrijvers, maar geen middenveld en ook een hoop non-talenten die toch een uitgever vinden. De Nederlandse criticus Jos Joosten stelde in het literaire tijdschrift Dietsche Warande & Belfort dat het met de Nederlandse letteren even erg is gesteld. Daar gaat onze eigenheid.

Jeroen Overstijns is literatuurcriticus bij de Standaard der Letteren en redactielid van het tijdschrift Yang