Soap

,,Bij de ingang van een metrostation zit, alleen en half gehurkt, een nog erg klein mutantje met de armen over het hoofd geslagen, schuddend van verdriet. Hij is tranen en snot en krampende bewegingen van het bovenlijfje. Bijna voel ik iets, iets dat op medelijden lijkt. Misschien moet ik dat mutantje wel gaan troosten, een papieren zakdoekje bovenhalen en het kalmerend over zijn schreinende snotknobbel aaien. Maar om hem te troosten, zal ik waarschijnlijk moeten liegen, dat het allemaal zo erg niet is, en dat weiger ik. En tegen zo'n klein weerloos draakje zeggen dat het niet zo moet janken omdat het er allemaal zeker niet beter op zal worden als hij wat groter wordt, dat je maar beter nooit geboren kon worden of in elk geval zo kort mogelijk moest leven, dat wil ik niet doen. Ik ben geen onmens. Er is al zo weinig waar je troost uit kunt putten.''

Uit: Soap, Paul Mennes (1967) Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar