Separatisten in Atjeh laten zich niet afkopen

In Atjeh lijkt de afkeer tegen de `Javaanse overheersing' algemeen. Wil de bevolking onafhankelijkheid of gaat het slechts om recht en geld?

De weg van Medan, de provinciehoofdstad van Noord-Sumatra, naar Lhokseumawe voert door een leesbaar landschap. Spandoeken, posters, aanplakborden, muren, bruggen en zelfs het asfalt van de weg, alles is volgeschreven met het woord `referendum'. Een enkele keer staat er een verwensing aan het adres van de Javanen, zoals op een vervallen spoorbrug: `Sontoloyo' ofwel `Rot op Javanen'. Soms staat er: `Wij hebben geen verkiezingen nodig maar een referendum', een verwijzing naar de landelijke parlementsverkiezingen die op 7 juni worden gehouden. Afgezien van oproepen tot een boycot, is in Atjeh bijna nergens een spoor te zien van de aanstaande verkiezingen: slechts een gering percentage van de Atjehse burgers heeft zich laten registreren voor de stembusgang.

Als teken van de afkeer van de ,,Javaanse overheersing'', zoals zij dit noemen, weigeren aanhangers van de afscheidingsbeweging in Atjeh het Indonesisch als gemeenschappelijke taal te erkennen. Ismail Sahputra alias Abu Saif, lid van de afscheidingsbeweging, spreekt alleen Atjehs en Engels. ,,Bahasa Indonesia (Indonesisch) bestaat niet. Het is Maleis.''

Sahputra zit in een luchtig bamboe optrekje, achteraf van de hoofdweg door Kandang, een roerige buitenwijk van Lhokseumawe. Boven zijn hoofd aan de muur hangt een foto van Hasan Tiro, de in Zweden wonende leider van de beweging. Volgens Sahputra is het aantal leden van de beweging (hij spreekt over `guerrilla's') beperkt. ,,Maar 90 procent van de bevolking steunt ons streven naar onafhankelijkheid.'' Volgens de Indonesische regering streeft de afscheidingsbeweging in het streng islamitische Atjeh naar een fundamentalistische moslimstaat. Sahputra ontkent dat: ,,Onze naam in het Engels is National Liberation Front. Ons streven is nationalistisch en niet godsdienstig gemotiveerd. Als we fundamentalistisch waren, zouden we ons Muslim Liberation Front noemen. Bovendien woont onze leider in Zweden en niet in Saoedi-Arabië.''

Het beeld dat Sahputra geeft van de omvang van de afscheidingsbeweging wordt door anderen gedeeld. Twee lokale zakenlieden, bijvoorbeeld, bevestigen dat de beweging wellicht niet erg veel leden heeft, maar wel veel sympathisanten. Ze willen alleen praten op voorwaarde van anonimiteit. Ze zijn niet alleen bang voor de militairen, maar ook voor represailles van de separatisten. ,,We zitten tussen twee vuren,'' zegt een van hen, een handelaar in koffie. Aan de muur in diens kantoor hangt de beeltenis van president Habibie naast de gebruikelijke Garuda, de mythische vogel die `eenheid in verscheidenheid' symboliseert.

De zakenlieden geloven niet dat de bevolking van Atjeh écht uit is op afscheiding. ,,Wel is er veel haat tegen het leger wegens de repressie de afgelopen 10 jaar. Veel mensen zijn familieleden kwijtgeraakt, of hebben op een andere manier te maken gehad met terreur'', zegt de koffiehandelaar. Zijn collega meent dat het leed van Atjeh opgelost kan worden door berechting van degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan schending van mensenrechten en door een eerlijke verdeling van de winsten, die hier worden gemaakt bij de exploitatie van Indonesië's grootste aardgasbel. ,,Achter de roep om onafhankelijkheid zit geen politiek streven,'' zegt hij. ,,Het gaat puur om recht en om geld.''

Mensenrechtenactivist en advocaat Yusuf Ismail Pase denkt juist dat dit het probleem is. ,,Habibie heeft pas geleden vergiffenis gevraagd en meer financiële steun voor deze provincie toegezegd. Maar dat is niet het medicijn voor families die slachtoffers te betreuren hebben ten gevolge van de Indonesische repressie.'' De meeste Atjehers zijn, volgens Yusuf, wel degelijk voor onafhankelijkheid. ,,Ik denk dat er drie groepen zijn. De mensen die zo snel mogelijk los willen van Indonesië, en die voor het merendeel naar Maleisië zijn uitgeweken. Dan zijn er de studenten die streven naar een referendum, waarbij de mogelijkheid bestaat tegen onafhankelijkheid te stemmen. En tot slot zijn er de bureaucraten, alle mensen in overheidsdienst, die Jakarta steunen en menen dat een betere verdeling van de middelen voldoende is om tegemoet te komen aan de onvrede.''