Marcel

,,Het water in huis was altijd hard en koud. Als een marmeren plaat spatte het in splinters uit elkaar op mijn gezicht. Van diep moest het komen, van ergens waar nooit licht viel. Ingeslikt en onder het huis verborgen door de goten, die uren na de regen nog knorden als ingewanden.

Wat nam het niet mee van de doden in de ondergrond, voor het vervloog, en weer neerviel en bezonk? De kringloop van het water, had Juffrouw Veegaete in één van haar laatste lessen gezegd, `is een eeuwiglijk wonder...' Ze had zich niet meer vertoond sinds de prijsuitreiking. Op de kast naast de wastafel grijnsde het kunstgebit van de grootvader in een glas water. Hij sliep nog. De grootmoeder had haar doden voor haar alleen. Een stuk of zes moest ze er doen, met de schuurspons en de schoffel.''

Uit: Marcel, Erwin Mortier (1965)

Uitgeverij Meulenhoff.