Internationale

De eerste oud-Spanjestrijder die ik ontmoette woonde in een achteraf-flat in Oakland. Hij reed in een roomkleurige sportauto, hij droeg een oosters sjaaltje en hij had het almaar over Betsy, Betsy, zijn nieuwe liefde. Hij heette Milton Wolff, hij liep tegen de tachtig, en hij was de laatste commandant van het Abraham Lincolnbataljon van de Amerikanen.

Ernest Hemingway schreef in 1938 over hem dat hij enkel nog in leven was `door hetzelfde toeval dat één palmboom overeind laat als een orkaan is gepasseerd'. Milt was overeind gebleven in het hete bloedbad bij Brunete, bij het slachthuis van Fuentes en in de sneeuw van Teruel. Dat was diezelfde man in die auto van room.

Het waren rare tijden: 40.000 Internationale Brigadisten – vrijwilligers uit linkse en vooral communistische kringen – waren zonder meer bereid omwille van hun idealen in een ver land een grondoorlog in te gaan. Tegen het fascisme. De jonge anarchisten wilden weer wat anders: revolutie. De boerenjongens vochten tegen hun grootgrondbezitters. De Franco-aanhangers vochten tegen het communisme – maar ze bedoelden de vooruitgang. De Duitsers waren weer heel modern, die wilden vooral hun nieuwe wapens uitproberen. Zo vocht iedereen in Spanje zijn eigen oorlog.

Nu rijd ik door de streken waar Milton vocht. Hier, zijn stelling in de heuvels bij Gandesa, dat klopt precies met zijn memoires. Asco, dit moet het `arme bruine dorp' zijn waarachter hij zich schuilhield. De Ebro stroomt wild en rood door het land.

Ik probeer hem te bellen, daar in het verre Oakland. Maar hij geeft geen gehoor meer.