Het `autisme' van de Serviërs

De NAVO-luchtacties hebben de Serviërs verenigd. De oppositie wordt bedreigd en voor landverraders uitgemaakt. Dat de Serviërs een miljoen Kosovaren verdrijven is geen thema.

,,Ik kan niet geloven dat het Servische volk de lezing van het bewind in Belgrado over de oorlog gelooft.'' Dat zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, gisteravond in een toespraak tot de Serviërs, die de boodschap via zenders als de Voice of America, Radio Vrij Europa, Worldnet en het Internet konden beluisteren. Ze doelde in concreto op de `etnische zuivering' van Kosovo door de Serviërs. Belgrado beweert dat de Kosovaren vluchten voor de NAVO-bommen. Dat klopt dus niet, zo wilde Albright de Serviërs voorhouden.

Het is de vraag hoeveel Servische kijkers zich iets van Albrights ongeloof hebben aangetrokken. Sinds de luchtaanvallen begonnen, heeft de sfeer in Servië veel gemeen met de sfeer, die onlangs door commentator William Rees-Mogg in The Times in herinnering werd geroepen. Rees-Mogg greep terug op zijn eigen herinneringen aan de Duitse bombardementen op Londen in de Tweede Wereldoorlog. De Britten zaten in hun schuilkelders, hoorden het beangstigende lawaai van de Duitse bommenwerpers en hoorden hoe hun huizen boven hen instortten. En één ding wisten ze heel zeker, aldus Rees-Mogg: deze barbarij zouden ze nooit vergeten, zouden ze ook nooit vergeven.

De oorlog heeft van de Serviërs, zo schreef onlangs de Kroatische schrijfster Slavenka Drakulic in het blad Feral Tribune, een autistisch volk gemaakt. Dat volk draagt de schietschijf trots op de borst als verklaring van de eigen onschuld en de eigen martelaarsrol. Het zal zich nooit afvragen wat het eigenlijk heeft misdreven om zo te worden gebombardeerd en het is ook niet in staat een verband te leggen tussen die luchtacties van de NAVO en het regime van Slobodan Miloševic, of tussen de macht en de eigen verantwoordelijkheid. De verdrijving van een miljoen Kosovaren is één drama, aldus Drakulic, maar het autisme van de Serviërs is het tweede.

Dat autisme is niet nieuw. Het bestaat al sinds de desintegratie van Joegoslavië in 1991. Een fatsoenlijk politiek debat heeft sindsdien in dat Joegoslavië ontbroken, omdat het debat dat er was, volledig werd gedomineerd door wat `de Servische kwestie' kan worden genoemd: wat zijn Serviërs, en binnen welke grenzen leven ze? En binnen welke grenzen horen ze te leven? De oorlog in Kroatië in 1991 draaide al net zo om die kwestie als de oorlog in Bosnië, en ook na de beëindiging van de Bosnische oorlog in 1995 is `de Servische kwestie' als een verstikkende deken over de politiek in Joegoslavië (en de Servische Republiek in Bosnië) blijven liggen. De Servische kwestie is in Servië het alpha en omega van alles – een onuitputtelijk reservoir voor manipulaties door Slobodan Miloševic en een even onuitputtelijke bron van argumenten die de oppositiepartijen verdelen en fragmenteren.

De NAVO-aanvallen hebben die sfeer versterkt en verdiept. De `barbaarse agressie', in de Servische media ondersteund met beelden van burgerslachtoffers, hebben in Servië de sfeer opgeroepen die Rees-Mogg beschreef. In die sfeer is de schietschijf een nieuw en trots symbool: dat van unaniem verzet tegen de hele boze buitenwereld. Elke vorm van kritiek op het bewind, van welke aard ook, staat gelijk aan landverraad.

Dat merkt de oppositie aan den lijve. In de Servische media worden mensen als Zoran Djindjic, de leider van de Democratische Partij, en ex-generaal Vuk Obradovic, de leider van de sociaal-democraten, zonder enige nuance uitgemaakt voor volksverraders, overlopers en spionnen. Ze zouden vóór de NAVO-acties zijn en de NAVO zelfs doelen voor de bombardementen hebben verraden. Djindjic deze week: ,,Het schort er nog aan dat ze een prijs op mijn hoofd hebben gezet.''

De campagne komt neer op een hetze, of zelfs op een oproep tot een moordaanslag. Die heeft zijn precedent in de moord op de prominente kritische journalist Slavko Curuvija, eigenaar van twee onafhankelijke kranten, die op 11 april in Belgrado door twee gemaskerde mannen werd doodgeschoten. Die moord kan een waarschuwing aan opposanten zijn geweest – zo wordt hij in elk geval wel geïnterpreteerd.

De hetze tegen de oppositie heeft Djindjic er inmiddels toe gebracht zich voorlopig uit de voeten te maken: hij heeft zich teruggetrokken in de zusterrepubliek Montenegro, waar zijn geestverwant Milo Djukanovic aan de macht is. Vandaar zet hij zijn verzet tegen het regime voort. Hij pleitte deze week in een gesprek met de Frankfurter Allgemeine voor een volledig isolement van Miloševic, omdat in Servië geen sprake zal zijn van democratie zolang deze aan de macht is, en elk akkoord hem aan de macht houdt. ,,Met Miloševic in het zadel zal de oorlog niet ophouden, dan komt er binnen half jaar oorlog in Montenegro, over een jaar in de Sandzak, over anderhalf jaar in de Vojvodina en over twee jaar in Belgrado.''

Zolang de oorlog woedt kan de oppositie niets doen: de media staan onder censuur, de leiders van de oppositie vrezen voor hun leven en iedereen die kritiek uit, moet vrezen voor het leger te worden opgeroepen en naar Kosovo te worden gestuurd.

Veel kans werkelijk te worden begrepen maakt Madeleine Albright dus niet. De Serviërs hebben geen enkele boodschap aan de één miljoen uit Kosovo verdreven Albanezen. Ze hadden al voor de luchtacties op 24 maart begonnen geen aandacht voor die Albanezen – die in de ogen van de meeste Serviërs sowieso als niet-Slaven en niet-christenen niet in Servië thuishoorden – en dat gold tot op zekere hoogte zelfs voor de oppositie. Ook die oppositie heeft zich de afgelopen jaren dan ook niet of nauwelijks om de onderdrukte Albanezen bekommerd.

Dat is overigens niet alleen die oppositie te verwijten. Nadat de Kosovaren in 1989 hun autonomie waren kwijtgeraakt, kozen ze voor een zelfopgelegde vorm van segregatie. Ze verbraken alle contacten met het Servische gezag en vormden hun eigen ondergrondse parallelstaat. Ze boycotten alle verkiezingen en zijn dus ook niet meer parlementair vertegenwoordigd geweest. Eén van de gevolgen daarvan was dat ze zichzelf politiek marginaliseerden in een mate die Miloševic in staat stelde hen totaal te negeren (tot het Kosovo Bevrijdingsleger UÇK lastig werd, eind 1997).

Een ander gevolg was dat alle potentiële contacten van de Kosovaren met de Servische oppositie werden verhinderd, zelfs nadat die oppositie tot de conclusie was gekomen dat de Kosovaren hun autonomie moesten terugkrijgen.

Dat contact werd al helemaal onmogelijk nadat de leiders van de Albanezen in Kosovo onafhankelijkheid waren gaan eisen.

Als Albright verzucht dat ze zich niet kan voorstellen dat de lezing van Belgrado over de Kosovaren in Servië wordt geloofd, betekent dat hooguit dat ze weinig begrip heeft voor wat de Serviërs eigenlijk bezighoudt.