Een vette streep door de flandricismen

Nederlandse en Vlaamse uitgeverijen vechten om beloftevolle jonge Belgische auteurs. Maar wie voor Nederland kiest, stemt in met een gekuiste versie.

TALENT IS ALS olie, het komt altijd bovendrijven, luidt de ietwat obligate conclusie aan het eind van een artikel over de publicatiekansen voor Vlaamse debutanten. Het stuk verscheen in het Vlaams literair kwartaalblad De brakke hond. De auteur van het artikel, Ann Demeester, waarschuwt voor al te gemakkelijke sensatieverhalen over beloftevolle jonge schrijvers die onder de ogen van hulpeloze Vlaamse uitgevers worden weggekaapt door scouts van de grote Nederlandse uitgeverijconcerns.

Toch blijven Vlaamse succesauteurs (zoals Hugo Claus, Kristien Hemmerechts, Herman Brusselmans, Hubert Lampo, Tom Lanoye, Monika van Paemel, Jef Geeraerts en de veelgeroemde debutant Erwin Mortier) zonder enige uitzondering publiceren bij Nederlandse uitgevers. Bovendien behoren de belangrijkste literaire uitgeverijen in Vlaanderen allemaal bij Nederlandse concerns: Manteau is een onderdeel van Standaard Uitgeverij, een dochterbedrijf van Perscombinatie Meulenhoff; Daedalus maakt deel uit van Weekbladpers Groep en Houtekiet is een imprint van Bosch & Keuning. Wat dat betreft lijkt er nog steeds sprake te zijn van wat Jeroen Brouwers jarenlang heeft gehekeld als `de koloniale Nederlandse uitgeefpolitiek'.

Dit cultuurkolonialisme heeft volgens Nederlandse uitgevers tot gevolg dat Vlaamse auteurs een grotere markt aangeboden krijgen. Suzanne Holtzer, redacteur van uitgeverij De Bezige Bij in Amsterdam: ,,Wij bieden een groter lezerspubliek. Bovendien zijn Nederlandse uitgevers in Vlaanderen zeer actief met eigen distributeurs en vertegenwoordigers.'' Andersom blijkt het keer op keer bijzonder lastig voor Vlaamse uitgeverijen om in de Nederlandse boekhandel voet aan de grond te krijgen. Als een Vlaamse schrijver eenmaal een Nederlandse uitgever heeft, zijn de marktkansen volgens Holtzer gelijk aan die van een Nederlandse collega. ,,Claus, Hemmerechts en Ivo Michiels hebben hier immers ook hun plek verworven. En Brusselmans en Lanoye zijn voor de Nederlandse markt even interessant als destijds Walschap en Boon,'' aldus Holtzer.

Uitgever Plien van Albada, van de samenwerkende uitgeverijen Prometheus/Bert Bakker te Amsterdam, plaatst een kritische kanttekening: ,,Het is lastig om daarover algemene uitspraken te doen, want de gegevens zijn zeer titelafhankelijk. Tom Lanoye had met Een slagerszoon met een brilletje zelfs iets eerder succes in Nederland, waarna België overigens snel volgde. Van Jef Geeraerts verkopen we De PG hier bijzonder goed, evenals Herman Brusselmans jongste boek Het einde van mensen in 1967.'' In het algemeen stelt zij dat van Vlaamse boeken 80 procent wordt verkocht in België tegen 20 procent in Nederland. Terwijl er driemaal zoveel Nederlandstaligen in ons land wonen als in Vlaanderen. Volgens Albada doen Nederlandse auteurs het in Vlaanderen overigens verhoudingsgewijs ook maar matig. Connie Palmen is een van de zeldzame uitzonderingen.

Wim Verheije, directeur van de Antwerpse uitgeverij Manteau, weigert zich neer te leggen bij de waterscheiding tussen Vlaanderen en de Nederlandse markt: ,,De meeste Vlaamse auteurs vind je niet terug in Nederlandse boekhandels, zoals het overgrote deel van de Nederlandse debutanten het ook moeilijk heeft in Vlaanderen. Rasvertellers als Aster Berkhof en vroeger Clem Schouwenaars zijn hier grote namen, terwijl je hun boeken in Nederland hooguit in bibliotheken aantreft.'' Volgens Verheije roepen de Amsterdamse uitgeverijen ten onrechte zo hard dat zij Vlaamse auteurs zoveel beter kunnen verkopen dan zijzelf. Verheije: ,,Wij zijn veel beter thuis op de Vlaamse markt, terwijl we onze Nederlandse afzet sterk verbeteren.'' Dat gebeurt door belangrijke titels in co-editie te brengen met Nederlandse uitgeverijen als Anthos, De Harmonie en Van Holkema & Warendorf. Die fondsen brengen zulke boeken dan niet meer als importtitel, maar als eigen uitgave. Daar komt bij dat Manteau haar eigen kwaliteitsmaatstaven aanzienlijk heeft opgeschroefd: als een Vlaamse auteur in het hele Nederlandse taalgebied verkocht wil worden, zal zijn taalgebruik daar ook op afgestemd dienen te zijn. Verheije: ,,In een dialoog kan natuurlijk wel eens een Zuid-Nederlands woord zitten, maar verder haalt de bureauredactie heel streng alle flandricismen of belgicismen uit onze boeken.''

Bij De Bezige Bij blijkt de redactie op verzoek van de Vlaamse auteurs zelf te wijzen op taalgebruik dat de ABN-norm niet kan doorstaan. En Prometheus-redacteuren wijzen Brusselmans er zonodig op dat zij legde af voor Nederlandse lezers beter kan worden vervangen door zij hing op. Ook bij De Arbeiderspers te Amsterdam zijn dergelijke ingrepen niet ongewoon, vertelt redacteur Peter Nijssen: ,,Onze Vlaamse auteurs willen zelf graag dat we ik ga terug aan het werk veranderen in ik ga weer aan het werk. Bij zulke vormen van editing mag je echter beslist niet te rigide zijn, anders zou je het werk kapotmaken van auteurs die juist gedijen bij regionalistisch taalgebruik. Je moet er toch niet aan denken dat je de rijke taal van Hugo Claus zou gaan omwerken tot het Nederlands van het Groene Boekje?''

De door Nijssen aangegeven tegenstelling laat zich goed illustreren aan twee Vlaamse auteurs uit het Arbeiderspers-fonds. Eriek Verpale verwierf zich enige faam met een zeer eigen, typisch Vlaamsgekleurd taalgebruik. Daarmee wil hij zijn Noord-Nederlandse lezers echter niet buitensluiten. Verpale: ,,In mijn boeken is een streekgebonden taal zeer belangrijk, zeker in de dialogen. Dat behoud ik, met dien verstande dat mijn boeken ook voor mensen boven de grote rivieren begrijpbaar moeten zijn. Daarvoor schieten mijn redacteuren mij soms te hulp. In mijn debuut Alles in het klein schreef ik over de periode dat ik in een megadancing werkte, als buitenwipper. Mijn toenmalige redacteur Benno Barnard vertelde mij dat ik dat woord niet kon gebruiken, omdat het voor Nederlanders wees op iemand die buiten de deur neukt. Hij stelde voor het te vervangen door uitsmijter, maar toen moest ik weer lachen, want bij ons zou dat inhouden dat ik mijn geld verdiende als eiergerecht.''

Voor Luuk Gruwez, een goede vriend van Verpale, geldt juist dat hij vlekkeloos Nederlands schrijft, waar de Arbeiderspers-redactie zelden iets aan hoeft bij te schaven. Tot voor kort weerde hij alles wat op `sappig Vlaams' leek uit zijn boeken. ,,Ik heb mij steeds heel bewust bediend van de standaardtaal en vraag mijn redacteuren ook altijd om daar strikt op te letten. Recentelijk heb ik in mijn Privé Domein-dagboek In het land van de wangen echter toch allerlei dialectismen toegelaten. Ik had daar namelijk een couleur locale nodig, waarvoor ik mij bediende van een soort opgepoetst West-Vlaams. Dat deel van het boek ging over mijn grootouders. Het zou een leugen zijn als ik hun standaard-Nederlands in de mond had gelegd. Tot mijn vreugde zijn juist die passages goed ontvangen in de literaire kritiek, ook in Nederland.''