Een vertwijfeld en ontgoocheld mens

Louis Paul Boon schreef alsof de duivel hem op de hielen zat. Portret van een schrijver die diepe sporen achterliet.

TWINTIG JAAR NA zijn overlijden is Louis Paul Boon populairder dan ooit. En dat terwijl hij bij leven lang verguisd, miskend, niet of verkeerd begrepen is. De in 1912 in het grauwe Oost-Vlaamse industriestadje Aalst geboren schrijver was een fenomeen, ook een vreemde eend in de literaire bijt. Afkomstig uit een armoedig en absoluut a-intellectueel milieu, mag het een wonder heten dat hij in de literatuur terecht is gekomen en door Nederland én Vlaanderen kandidaat werd gesteld voor de Nobelprijs (die hij, zo wil de mythe, in 1979 gekregen had als hij niet op 10 mei van dat jaar was overleden).

Een middelbare schoolopleiding van betekenis heeft Boon niet gehad, op zijn vijftiende moest hij al bij zijn vader, een rijtuigschilder, gaan werken. De spaarzame vrije tijd bracht hij lezend, tekend of schrijvend door. In de jaren dertig werkte hij in de vrieskelders van een brouwerij. Op 10 mei 1940 werd hij aan het front door de Duitsers gevangengenomen en naar Duitsland gevoerd. Vier maanden later keerde hij terug in Aalst, waar hij een roman schreef met de titel De voorstad groeit. Het manuscript werd in november 1942 - vooral op voorspraak van jurylid Willem Elsschot - bekroond met de eerste Leo J. Krijnprijs en in 1943 uitgegeven bij de Brusselse Uitgeverij Manteau. Na de bekroning schreef Boon verder alsof de duivel hem op de hielen zat.

De meeste critici waren tijdens en vlak na de oorlog helemaal niet onder de indruk van zijn romans en deden daarvan in vaak opvallend felle bewoordingen kond. Boon liet zich in zijn werk immers weinig gelegen liggen aan de gangbare literaire normen. Hij had een uitgesproken afkeer van mooischrijverij en besteedde daarom niet overdreven veel aandacht aan een correcte spelling, syntaxis, interpunctie. Zijn proza maakt een onverzorgde, ongeordende en chaotische indruk. Het is een eruptie, een stortvloed van woorden en beelden. In combinatie met het directe ongekuiste taalgebruik roept het reminicenties op aan het werk van Céline. Net als de Franse schrijver schrok Boon niet terug voor onderwerpen die taboe waren (masturbatie, travestie) of politiek gevoelig lagen (repressie). Dat bezorgde hem veel vijanden en maar weinig vrienden.

De katholieken konden zijn bloed drinken. Hun bezwaren richtten zich vooral tegen het grove taalgebruik en de nihilistische levensvisie, de ontkenning van de christelijke waarden en het bestaan van God. Het teneerdrukkende pessimisme werd gevaarlijk geacht, vandaar dat Boons werk in het invloedrijke tijdschrift Boekengids en het Lectuur repertorium als `Verboden lectuur' werd aangemerkt. En dat had gevolgen: boekhandelaren en bibliotheken kochten zijn werk niet in, op scholen en in een deel van de katholieke pers werd hij doodgezwegen. Zelfs de vrijzinnigen waren niet onverdeeld gelukkig met zijn onbehouwen en onesthetische proza.

Boon maakte het zichzelf ook niet gemakkelijk. Als criticus bij het communistische dagblad De roode vaan en het linkse weekblad Front ging hij in de jaren vlak na de oorlog als een olifant tekeer in de porseleinkast van de Vlaamse literatuur; in zijn ogen overwegend een literatuur van wereldvreemde, zelfgenoegzame vertellers. Boon opteerde voor een geëngageerde, maatschappelijk betrokken literatuur. Bij De roode vaan werd de querulant na nauwelijks een jaar aan de dijk gezet. Het kostte hem daarna ruim acht jaar om een vaste baan te vinden. In 1954 trad hij in dienst bij de socialistische krant Vooruit. In de tussenliggende periode werkte hij freelance voor allerlei bladen. Opvallend vaak werden bijdragen van zijn hand geweigerd.

Ook zijn carrière als romanschrijver verliep niet van een leien dakje. Na de oorlog zat uitgeefster Angèle Manteau met stapels onverkochte Boonboeken, vandaar dat zij geen nieuw werk van Boon meer wilde uitgeven. In het najaar van 1946 weigerde zij een manuscript met de titel Madame Odile. Toen vervolgens ook de Amsterdamse uitgever Van Kampen het terzijde schoof, trok Boon zich verbitterd over zoveel miskenning terug. Maar ook zonder uitgever bleef hij schrijven. Madame Odile sneed hij in stukken en de brokken gebruikte hij voor De 1ste illegale roman van Boontje; een roman waarin hij helemaal zijn eigen gang kon gaan, omdat hij niet langer rekening hoefde te houden met uitgevers, critici en lezers. De 1ste illegale roman van Boontje is de oerversie van De Kapellekensbaan (1953) een van de opmerkelijkste romans in de naoorlogse Nederlandstalige literatuur. Min of meer bij toeval viel het manuscript in het najaar van 1949 in handen van Reinold Kuipers van De Arbeiderspers, die ervoor heeft gezorgd dat het werd uitgegeven.

In de jaren zestig keerde het tij voor Boon. Een nieuwe generatie schrijvers erkende hem als hun grote voorganger. Erkenning van officiële zijde kwam in Nederland met de toekenning van de Constantijn Huygensprijs (1966) en in België met de bekroning van de historische roman Pieter Daens met de Driejaarlijkse Staatsprijs (1972). Daarna ging het snel. Boon werd een mediapersoon. Het klinkt paradoxaal, maar de schrijver leed onder de explosief gegroeide belangstelling, kon moeilijk `nee' zeggen tegen de talloze verzoeken om interviews, voelde zich nog steeds miskend en niet begrepen: ,,De enige mens waarmee ik nog praten kan is mijn hond.'' Zijn laatste levensjaren ging hij gebukt onder depressies, zelfmoordgedachten en drankmisbruik.

Boon is in de literatuurgeschiedenis bijgezet als de vernieuwer van de roman in de naoorlogse Nederlandstalige literatuur. Hij dankt die reputatie aan Mijn kleine oorlog (1947) en vooral aan De Kapellekensbaan; een magistrale roman, waarmee hij in één klap aansluiting vond bij de modernisten in het buitenland. Voor traditionele lezers is het een vreemde, chaotische en daardoor moeilijk verteerbare brok proza. In de eerste plaats is het een roman over het schrijven. Uitgangspunt vormt de constatering dat de westerse beschaving ten onder dreigt te gaan. Het boek wordt geschreven om te waarschuwen voor deze apocalyps. Op allerlei manieren wordt vervolgens vorm en inhoud gegeven aan die onheilstijding. De vertelling over Ondine is een van die pogingen, net als de bewerking van het middeleeuwse dierenepos Van den Vos Reinaerde. Al die fragmentarisch gepresenteerde pogingen brengen tezamen messcherp `het leven zoals het werkelijk is' in beeld. Elk afzonderlijk getuigen ze van een andere visie op literatuur, waardoor verschillende poëtica's in het boek op elkaar botsen. De slotsom van het boek is bedroevend: het boek over de Kapellekensbaan kan de wereld niet tegenhouden in haar val. Bijgevolg beschrijft het niet alleen de teloorgang van de samenleving, maar ook het failliet van de literatuur.

De Kapellekensbaan is hét meesterwerk van Boon, misschien wel van de Nederlandstalige literatuur. Vlak na zijn dood in 1979 stond het boek wekenlang in de boekentop-10 en dat gebeurde nog eens in 1985 toen een goedkope herdruk op de markt werd gebracht. Anderhalf jaar geleden plaatsten 43 Nederlandse en Vlaamse critici het op een derde plaats in hun top-85 van favorieten, achter Don Quichot van Cervantes en Reis naar het einde van de nacht van Céline, maar vóór Ulysses van Joyce, Max Havelaar van Multatuli en Het verdriet van België van Claus et cetera.

Boeken als De voorstad groeit, Mijn kleine oorlog, De Kapellekensbaan, Menuet, Zomer te Ter-Muren en Pieter Daens worden als hoogtepunten in de Nederlandse literatuur gezien. Wapenbroeders en De Paradijsvogel kunnen daar gemakkelijk aan worden toegevoegd. Elsschot had gelijk toen hij Boon begin 1945 schreef: ,,Gij zijt formidabel, met uw potlood en uwen inkt. Dat is het laatste. Al schreeft gij met stront.''

Boon beschrijft en schildert in zijn werk een wereld die in sneltreinvaart haar ondergang tegemoet snelt. Overal is teloorgang, vernietiging en verval zichtbaar. In zijn vroege werk lopen personages rond die dromen van een betere wereld, maar keer op keer bedrogen uitkomen. Boon geloofde niet in maatschappelijke veranderingen, in de maakbaarheid van de samenleving. De woede over de waargenomen wantoestanden heeft hij meer dan eens uitgeschreeuwd; in Mijn kleine oorlog met de legendarisch geworden slotzin: SCHOP DE MENSEN TOT ZIJ EEN GEWETEN KRIJGEN. In zijn latere romans toont hij mensen die aan de zelfkant van de maatschappij staan, dikwijls mensen die door seksuele obsessies en driften worden voortgejaagd. Later schreef hij ook enkele historische romans, die hem veel waardering opleverden. Om de goegemeente te pesten en de katholieken, die hem wegens Pieter

Daens plots bewierookten, van het lijf te houden, publiceerde hij enkele erotische werken, zoals Mieke Maaike's obscene jeugd.

Deze boekjes, zijn erotische schilderijen en een gigantische collectie foto's van vrouwelijk naakt - zijn `Fenominale Feminatheek' - bezorgden hem in het katholieke Aalst en ver daarbuiten de naam een `viezetist' te zijn. Hij werd smalend `Vuil Lowieke' genoemd. Aalst is lang niet erg gelukkig geweest met zijn bekende inwoner. Het conservatieve, katholieke stadsbestuur wilde op geen enkele manier de herinnering aan de schrijver en zijn werk levend houden. Daarin kwam pas enkele jaren geleden, met het aantreden van een progressief college van burgemeester en schepenen, verandering. In het Oud-Hospitaal van de stad is nu een Boon-museum gevestigd, bij het kapelletje van Ter-Muren - decor van De Kapellekensbaan - staat een standbeeld van romanheld Ondine en een ander standbeeld is in de maak.

Na zijn dood op 10 mei 1979 volgde een hausse in de belangstelling. Al in het najaar van zijn overlijden werd het Louis Paul Boon Genootschap (nu zo'n 400 leden) gesticht. In 1982 werd begonnen met de publicatie van niet eerder in boekvorm uitgegeven werk. Daarna hebben vooral de universiteiten van Nijmegen en Antwerpen zich ingezet voor de Boonstudie.

Nog steeds trekt het werk van Boon nieuwe lezers. Wie er gevoelig voor is, wordt op sleeptouw genomen door de warme, oprechte, diepmenselijke toon waarmee hij de lezer toespreekt, de stem van een vertwijfeld, ontgoocheld en ongelukkig mens. Zijn boeken vragen om gelezen en herlezen te worden en iedere keer weer laat zijn werk diepe sporen achter, treft het de lezer als een vuistslag in de maag, als een schop onder de kloten. Twintig jaar na zijn dood, leeft Boon voort.

Jos Muyres is docent Vlaamse letterkunde aan de universiteit van Nijmegen en schreef een monografie over Louis Paul Boon.