Een geile hel in de buurt van Palermo

Alle mannen zijn lelijk in Totò che visse due volte, en de vrouwen ook, want zij worden door van die lelijke mannen gespeeld. Met hun bochels, uitpuilende ogen en hangende buiken hadden ze monniken kunnen figureren in De naam van de roos of Robin Hood. Maar Totò che visse due volte gaat niet over de Middeleeuwen, de film is in het heden gesitueerd en de mannen spelen zichzelf. Het zijn sloebers uit de achterbuurten van Palermo, en in hels zwart-wit overdrijven de regisseurs de rotheid van hun bestaan aan de rafelrand van deze stad. Een zwakbegaafde nymfomaan steelt een ketting uit een kapelletje om een rondreizende hoer te kunnen betalen, een hebzuchtige homoseksueel wrikt de ring van de vinger van zijn overleden geliefde en een vloekende god die geen wonderen meer kan verrichten wordt in zoutzuur opgelost. Aan het einde van dit drieluik hangen er drie gekken aan het kruis. In de visie van Franco Maresco en Daniele Ciprì is de mensheid nergens meer goed voor. Zelfs verlossing is niet meer mogelijk. De enige vrolijkheid biedt een massamasturbatiescène in het toilet van een bioscoop, waar de mannen net de eerste speelfilm van dit Siciliaanse duo hebben gezien. Het hoogtepunt van die film, Lo Zio di Brooklyn, was een man die een ezel neukte.

Totò is de tweede speelfilm van Ciprì en Maresco, die voor de Italiaanse televisie jarenlang het programma TV Cinico maakten. Het laatste Rotterdamse filmfestival wijdde een retrospectief aan hun werk, dat, hoe kan het anders, vaak Pasolini in herinnering roept. Totò was toen al beroemd geworden als de film die tot de afschaffing van de Italiaanse filmcensuur leidde. De film had, na een hetze in de katholieke pers, een volledig vertoningsverbod gekregen, waarop de linkse intelligentsia met succes voor afschaffing van de censuurwet pleitte.

Ondanks de kinderachtige provocaties van katholieken en andere normenbewaarders is Totò toch ook wel een religieuze film te noemen. Ciprì en Maresco geloven waarschijnlijk, net als vele mystici, dat het ondergaan van de hel op zichzelf al een soort loutering inhoudt. Maar de uitgebleekte, geile hel die de Sicilianen tonen mist de bekoring die zo'n onderneming voor mindere masochisten nodig heeft. De vieze mannetjes van Palermo leidden mij niet naar verlossing, maar naar verveling. Ciprì en Maresco zijn wel zo toegeeflijk geweest om hun beelden door muziek van Mozart, Beethoven en Bach te laten begeleiden. Maar misschien hadden ze toch beter hard kunnen blijven. Door de gewijde muziek wordt Totò che visse due volte alsnog kitscherig.

Totò che visse due volte (Totò die twee keer leefde). Regie: Daniele Ciprì en Franco Maresco. Met: Salvatore Gatusso, Marcello Miranda, Carlo Giordano. In: Filmmuseum, Amsterdam; 'T Hoogt, Utrecht.