De roze havik

Sergej Stepasjin, de nieuwe premier van Rusland (tenzij de Doema dwarsligt), komt net als zijn voorganger Jevgeni Primakov uit de inlichtingendienst. Maar waar Primakov zich in zijn lange carrière op de buitenlandse spionagedienst richtte, was de in maart 1952 op een Russische militaire basis in het Chinese Port Arthur geboren Stepasjin werkzaam bij de binnenlandse geheime dienst.

Hij sloot zich in 1973 aan bij de troepen van het ministerie van Binnenlandse Zaken als politiek commissaris, gaf later les aan een militaire academie en studeerde af op een proefschrift over `partijleiderschap in Leningrads brandweerkorpsen' tijdens de Tweede Wereldoorlog. Stepasjin bracht het in 1989 tot lid van het parlement van de Russische federatie en leidde in 1991 na de poging tot staatsgreep tegen Sovjet-leider Gorbatsjov het onderzoek naar de betrokkenheid van de KGB. De leider van de KGB, Krjoetsjkov, was een van de coupplegers. Naar aanleiding van het onderzoek stelde Stepasjin een plan op voor de reorganisatie van de geheime dienst en werd hij leider van de KGB in Leningrad en onderdirecteur van de geheime dienst.

Na de mislukte staatsgreep tegen Jeltsin in 1993 was Stepasjin een van de weinige kopstukken van de geheime dienst die mochten aanblijven. In 1994 en 1995 leidde Stepasjin de tot FSB omgedoopte KGB, alvorens minister van Justitie en (vorig jaar) minister van Binnenlandse Zaken te worden. Als zodanig leidde de generaal enkele honderdduizenden militairen en meer dan een miljoen politiemannen.

Stepasjin, een zacht sprekende man met een babyface (,,de roze havik'' wordt hij wel spottend door de Russische media genoemd), geldt als een loyale aanhanger van president Jeltsin, die de president tijdens de vele crises van zijn ambtstermijnen steeds heeft gesteund. Hij geldt ook als een van de belangrijkste architecten van diens Tsjetsjenië-beleid (uitgerekend een van de gronden waarop de oppositie de president wil afzetten en een van de weinige fouten die Jeltsin heeft toegegeven). Een uitgesproken havik. Hij speelde als FSB-chef een cruciale rol bij de Russische aanval op Tsjetsjenië in december 1994 en trad als chef van de geheime dienst af na het voor de regering hoogst gênante drama van Boedjonnovsk (toen Tsjetsjeense strijders een hele stad in gijzeling namen) in 1995.

Het was allerminst een afscheid: hij bleef adviseur van Jeltsin en kwam terug als minister van Justitie en later Binnenlandse Zaken. In maart dreigde hij Tsjetsjenië met economische sancties en een blokkade en zelfs met een nieuw militair ingrijpen van Rusland. Naar aanleiding van de ontvoering van generaal Sjpigoen, de vertegenwoordiger van zijn eigen ministerie in Tsjetsjenië, zei Stepasjin toen dat Tsjetsjenië zucht onder de dictatuur van ,,een paar duizend schurken die de samenleving hun wil opleggen en Tsjetsjenië willen terugdrijven naar de Middeleeuwen en het obscurantisme [van het islamitische fundamentalisme].''

Vorige week werd Stepasjin benoemd tot eerste vice-premier. Een strenge Jeltsin gaf voor het oog van de televisiekijkende natie de leden van de regering opdracht een andere stoel te kiezen om Stepasjin richting president te laten opschuiven. Hetgeen ze deden.