Bommen in dienst van het twijfelend gelijk

Twintig jaar na de dood van Louis Paul Boon zijn het dertigers die zijn erfenis beheren. Zij wedijveren met de oude meester in radicalisme en cultuuranalytische bewogenheid.

ONLANGS HIELD De Standaard onder Vlaamse politici een enquête over culturele voorkeuren. In de categorie literatuur kwam Ward Ruyslinck als populairste schrijver uit de bus. Hij verdrong Hugo Claus van de eerste plaats.

Nu is het werk van Ruyslinck in Vlaanderen al jaren een deel van de literaire marge. Zijn vele boeken verdwijnen onder het stof der tijden. Toch komt hij bij zo een enquête plots naar boven. Ruyslincks decennialange aanwezigheid op leeslijstjes in scholen zal daar niet vreemd aan zijn. Die traditie heeft hem tot een icoon gemaakt. Als je – zoals blijkbaar veel politici – weinig leest, dan val je bij zo'n enquête op iconen terug. Ze zijn een gemakkelijkheidsoplossing.

Schrijvers als Hugo Claus, Tom Lanoye en Kristien Hemmerechts spelen gelukkig in een andere literaire klasse dan Ruyslinck. Maar ze zijn wel op een ander punt met hem vergelijkbaar. Voor het Vlaanderen-onkundige Nederlandse leespubliek bepalen zij voor een groot deel het beeld van de Vlaamse literatuur. Ook Claus & Fils zijn iconen in een gemakkelijke beeldvorming die wel enige correctie gebruiken kan. Zeker als je tussen Vlaanderens jonge prozahonden op zoek gaat naar de erfgenamen van Louis Paul Boon.

Als we voor het gemak Boons erfenis nu eens beschrijven als een literatuur die nooit alleen over persoonlijke obsessies gaat, maar die obsessies opentrekt naar de wereld. Literatuur die op een eigenzinnige manier de werkelijkheid opzuigt en er iets over kwijt wil. Dan kom je toch uit bij de interessantste jonge Vlaamse proza-auteurs. Ze profileren zich niet als jonge hoop in bange dagen, maar daar komt het wel min of meer op neer.

In die geest van Boon schrijft bijvoorbeeld Jeroen Olyslaegers (1967). Olyslaegers werkte een tijd op het Boon-studiecentrum van de Universiteit Antwerpen en debuteerde in 1994 met het als obscuur geboekstaafde Navel. Binnen enkele maanden verschijnt van hem een roman bij een Nederlandse uitgeverij, waardoor hij misschien ook in Nederland meer aandacht zal krijgen. Dat die gerechtvaardigd zou zijn, suggereert in ieder geval Olyslaegers' tot nog toe jongste werk, de verhalenbundel il faut manger.

Il faut manger is soap op speed, trippen in lettervorm. De verhaallijnen zijn absurd en vluchtig, efemere vormen in een wereld die in zijn totaliteit aan de rand van de apocalyps staat. En het blijkt daar warempel goed bengelen.

Jeroen Olyslaegers gebruikt stijlen zoals je postkaarten bekijkt in een molentje: hij pakt ze vast, speelt er even mee en legt ze weer weg omdat weer iets anders zijn belangstelling getrokken heeft. Schrijven is hier een voortdurend streven naar stilistische overkill.

De verhalen in il faut manger zijn dan ook ongelooflijk beweeglijk en karikaturaal, bevolkt door verdwaasde soapacteurs, moordende jongeren, hallucinerende plantentelers. Olyslaegers manoeuvreert zijn personages naar het absolute. Daar vinden ze alleen de wetenschap terug dat ze geesten zijn in een dolend bestaan.

Authenticiteit is hier geen werkbaar begrip meer. Genot en geweld zijn dat des te meer. Kitscherig is Olyslaegers' proza zeker, flitsend en bombastisch ook, soms zelfs ronduit banaal, maar nooit vrijblijvend. Zijn cultuuranalyse is op Boonse wijze radicaal, zijn retoriek een bommentapijt in dienst van het twijfelende gelijk.

Jeroen Olyslaegers heeft van Lowieke uit Aalst geleerd dat je de dwaasheid van het bestaan enkel kan oplichten door het in je teksten zelf actief te laten huishouden, niet door het natuurgetrouwer dan de Vlaamse primitieven van buitenuit te schilderen.

Het radicale spel met oppervlakkigheid en iconen van de moderne maatschappij vind je ook terug in het werk van Paul Mennes (1967). Mennes won met zijn eersteling Tox de Vlaamse Debuutprijs in 1995. Hij schreef daarnaast nog een roman, een verhalenbundel en een toneelstuk. In Vlaanderen was hij de voorbije jaren de meest in het oog lopende jonge auteur. Mennes' nieuwste werk was een multimediaal project waarvan de titel alles zegt: Kaufhaus inferno.

Ook in het universum van zijn ficties is de afgrond nooit veraf. Het is een hyperreële wereld van kopen en gekocht worden, met radicale uitvergrotingen van onze duistere affiniteit met geweld, consumptie en iconen. De roman Soap bijvoorbeeld begint met de introductie van pickles chips in de wereld van het hoofdpersonage, en groeit vervolgens uit tot een pervers feest van banaliteit, wreedheid en nonchalance tegen de achtergrond van een discotheek met reptielen in het toilet, en een nieuw maar desintegrerend shopping center.

Soap lijkt letterlijk waardeloos, maar dat is het dan vooral omdat het een begrip als `waarde' onderuit haalt, door edelkitsch en bordkarton met zoiets ongrijpbaar als troost te mengen. Soap is oppervlakkig, maar in die oppervlakte schuilt ook de diepte van het verlies. Mennes is minder opstandig dan Boon was, maar zijn verhalen hebben wel degelijk een cultuuranalytische bewogenheid, die niet voor die van Boon moet onderdoen.

Mennes' verhalen zijn sneller verteerbaar dan de vertelmanie van Olyslaegers, die zijn stijl nog veel radicaler doortrekt. Omdat het nu eenmaal in de lucht hing, zijn ze allebei met de generatie Nix geassocieerd. Hun proza is echter een stuk vernuftiger. Hun visie op de maatschappij is meer doordacht, hun stijl is minder kreukloos.

De nieuwste ster aan het prozafirmament overkwam onlangs ongeveer hetzelfde als de plots ontdekte Mennes enkele jaren geleden. Van Erwin Mortier (1965) had twee maanden geleden nog bijna niemand gehoord. Zijn debuutroman Marcel kreeg de voorbije weken ook in Nederland zoveel lof toegeworpen dat je er bijna achterdochtig van wordt. De aandacht zal voor een deel ongetwijfeld samenhangen met het grote verlangen naar nieuwe literaire talenten, en zeker ook in Nederland met de `typische' sfeer van het boek. Het moet al raar lopen wanneer het in oktober 1999 niet zal worden bekroond met de Debuutprijs.

Marcel is geen vernieuwend boek, maar het ademt wel van een grote sensualiteit uit. Mortier heeft Marcel opgebouwd uit tamelijk losse scènes, badend in een weemoedige sfeer. De kleur van Marcel is het craquelé van oude foto's.

Toch spreekt Mortiers debuut ook aan door het verhaal. Een kleine jongen logeert bij zijn grootmoeder. Zijn nieuwsgierige blikken brengen haar wereld in kaart: de foto's van haar doden in de praalkast, de behaagzieke dames in haar naaibedrijf, de gesneuvelde oostfronter die langzaam in zicht komt. Mortier behandelt herkenbare elementen als collaboratie en de Vlaamse ontvoogding zo suggestief dat ze een mythische kracht krijgen. Zeker voor een debuut zijn zijn brede blik en zijn stijlgevoel opmerkelijk.

Van deze drie boeken is Marcel het verst van Boon verwijderd. Boon was te gedreven, te kwaad en te zoekend om zijn werk tot dit soort degelijke schoonschrijverij te kanaliseren. Mortier deelt met Boon wel het associatieve vertellen en de gevoelsmatige kijk op de wereld, maar dat verbindt hem eigenlijk nog meer met het werk van Hugo Claus.

Mortier, Olyslaegers en Mennes zijn natuurlijk maar enkele namen. Ten minste even veel de moeite loont bijvoorbeeld de zwarte romantiek met weerhaken van de oudere jongere Elvis Peeters (We dolen rond in de nacht en worden verteerd door het vuur) en het exuberante taalteveel van veteraan Pjeroo Roobjee (Van het nieuwland). Hun boeken zijn in Nederland bijna niet bekend.

Andere prozaschrijvers hebben tenminste een Nederlandse uitgever en dus een stapje voor, al was het maar omdat je hun romans sneller in de Nederlandse boekhandel zult vinden: Koen Peeters (Het is niet ernstig, mon amour), Pol Hoste (High Key), Peter Verhelst (Vloeibaar harnas), Mark Insingel (Eenzaam lichaam), Paul Verhuyck (De doodbieren), Kamiel Vanhole (Overstekend wild) en de heel terecht voor de Librisprijs genomineerde Paul Claes (De Phoenix).

Twintig jaar na de dood van Boon is het Vlaamse proza geen booming business, maar je moet ook verder durven kijken dan al de kleffe autobiografische boekjes. Even turen en er blijft nog genoeg ontspoord proza over om twintig jaar na zijn dood Boons lof te zingen.