Stroperige samenklontering

Na tien jaar financiële fusiedrift in Nederland meldt zich voor het eerst een pensioenmoloch. Het motto: liever lopen dan springen.

Nederland is binnenkort een nieuw financieel conglomeraat rijker. Na de Bank straks het Fonds?

Nederland heeft al beursgenoteerde giganten als ING en Fortis, die op grote schaal bank- en verzekeringsdiensten met elkaar combineren, en ABN Amro en Aegon, die respectievelijk meer bank en meer verzekeraar zijn. Verder zijn er de coöperatieve bolwerken Rabobank en Achmea.

Aan het eind van een uniek decennium van financiële samenklontering meldt zich nu de eerste pensioencombinatie. ABP (overheid en onderwijs) en PGGM (zorg en welzijn), het grootste en een na grootste Nederlandse pensioenfonds, praten over intensieve samenwerking. Zij voeren de huidige en toekomstige pensioenen uit voor zo'n drie miljoen Nederlanders, zij bulken van het geld (een kleine 400 miljard gulden belegd vermogen dat jaarlijks meer dan 10 procent groeit), zij hebben net samen voor 4,5 miljard gulden een middelgrote bank gekocht, en zij willen een vuist gaan maken op het nieuwe terrein van particuliere en sociale verzekeringen.

In de beste tradities van de Nederlandse pensioenwereld, die onder de hoede van werkgevers en werknemers meer naar binnen is gericht dan expressief naar buiten, of op de consumentenmarkt, werd het onderzoek naar de nieuwe combinatie als een non event gepresenteerd.

De overname van de Nationale Investeringsbank (NIB) is een ,,loopplank naar verdere samenwerking'' met PGGM op meerdere terreinen, zei directievoorzitter J. Neervens van ABP gisteren bij de presentatie van het jaarverslag. Neervens' woordkeus verraadt de omzichtige, bijna stroperige manier waarop de pensioenfondsen hun actieradius uitbreiden. Zijn concurrenten uit de financiële wereld, zeker de beursgenoteerde, zouden toch tenminste het beeld van een springplank hebben gebruikt.

De nieuwe financiële moloch lijkt straks, in zijn onoverzichtelijkheid, op de coöperaties Rabobank en Achema. Ook daar zijn de personen in de bestuurlijke gremia belangrijker dan de formele financiële relaties in het netwerk van de moederorganisaties, de dochterbedrijven en talrijke allianties en joint ventures. Het wordt zeker geen fusie, die stuit op weerstand van de soevereiniteitsbewuste sociale partners. Bovendien is PGGM veel rijker – wat betreft het vermogen ten opzichte van de pensioenverplichtingen – dan ABP.

De overname van de NIB is de eerste stap in de expansie, maar puur gericht op het voor pensioenfondsen cruciale vermogensbeheer. Ingewikkelder is de inrichting van een nieuwe financiële supermarkt voor aangesloten werkgevers en hun werknemers.

In de keten van de betaling van geprivatiseerde sociale uitkeringen, bestrijding van ziekteverzuim en reïntegratie van werknemers brengt ABP een van de vijf uitvoeringsorganisaties van sociale verzekeringen in (USZO), terwijl PGGM al een arbodienst heeft gekocht (ABP niet). Zij hebben allebei al een snel groeiende verzekeraar, al maakt die van ABP winst (18 miljoen gulden, netto) en die van PGGM verlies (120 miljoen).

Rap reageren is niet de aard van de pensioenfondsen. Zij worden bestuurd door de sociale partners en dat is geen impuls voor drieste expansie. De manier waarop de pensioenfondsen, nog maar sinds twee jaar, hun macht als kapitaalverschaffers van het Nederlandse bedrijfsleven inzetten om aandeelhoudersrechten te versterken, is tekenend. ,,Wij zijn meer gericht op dialoog. Liever dan felle confrontaties en het afdwingen van kleine succesjes'', zei directeur beleggingen prof. J. Frijns van ABP gisteren. ,,Overleg en dialoog zijn effectiever in de Nederlandse verhoudingen dan de stok.''

De slepende overname van de NIB, waarbij ABP en PGGM twee keer hun bod moesten verhogen om opponerende grote beleggers (ING, Fortis en ASR Verzekeringen) over de streep te trekken legt de verschillen bloot tussen de commerciële wereld en de pensioenwereld. Financiële analisten, die een knock out bod met dramatiek en overtuiging zijn gewend à la Getronics op Wang Global, slaan met met verbazing het amateurisme gade, maar Frijns geeft zichzelf een rapportcijfer acht. Vanuit zijn positie begrijpelijk: zijn achterban had elke keer de tijd om de nieuwe situatie in ogenschouw te nemen en de redelijkheid te zien van een nieuwe, geringe verhoging van het bod om het doel te bereiken.

Zo blijft het imago van slaperigheid en onkunde ABP achtervolgen, terwijl de uitmuntende rendementen op bijvoorbeeld de aandelenbeleggingen andere taal spreken. In 1997 lag het rendement (37,1 procent) vijf procentpunt boven dat van het gemiddelde pensioenfonds, vorig jaar was dat meer dan 4 procentpunt. Dat was samen goed voor extra inkomsten van zo'n 5,5 miljard gulden, bijna evenveel als overheid, onderwijs en hun werknemers jaarlijks aan pensioenpremies moeten betalen.