Op geld zitten we niet te wachten

Nog tot 13 mei kunnen voormalige dwangarbeiders een schadeclaim indienen tegen het Duitse bedrijf waar ze in de Tweede Wereldoorlog hebben gewerkt. Maar dit gebeurt nauwelijks.

Sinds kort woont voormalig huisschilder A. Slaager met zijn vrouw in een Rotterdams verzorgingshuis. Rijk is hij niet, maar op een schadevergoeding voor de twee oorlogsjaren die hij doorbracht als arbeider in een Duitse wapenfabriek zit hij niet te wachten. ,,Ik ken er die zijn teruggekomen zonder been of zonder arm. Die zijn al die jaren aan de steun geweest. Als ze toch geld geven, dan liever aan die mensen.''

De honderdduizenden die in Duitse oorlogseconomie tewerkgesteld zijn, hebben nooit enige schadevergoeding ontvangen. Maar vorig jaar kwam er plotseling beweging in hun zaak. Bondskanselier Schröder, die zag dat Zwitserse banken onder druk van joodse claims 2,5 miljard gulden moesten uitkeren, liet weten dat er iets moest gebeuren om Duitse bedrijven dat lot te besparen. Dat had resultaat. In februari werd bekend dat op 1 september een `humanitair fonds' in werking zal treden, waaraan twaalf grote Duitse bedrijven deelnemen in samenwerking met de regering. Volkswagen, Diehl en Siemens begonnen vorig jaar uit eigen beweging al met het opsporen en betalen van `hun' dwangarbeiders.

De ommekeer kwam laat. In Nederland is de Vereniging van ex-Dwangarbeiders Nederland al ter ziele; de bestuursleden waren te oud geworden om het werk voort te zetten. Sinds begin dit jaar onderzoekt de stichting Burger Oorlogsgetroffenen (SBO) in Apeldoorn met subsidie van het ministerie van Volksgezondheid de (on)mogelijkheden voor de overgebleven ex-dwangarbeiders om in het nieuwe klimaat in Duitsland schadeloosstelling te krijgen.

Slaager werd na de oorlog ziek. Longtuberculose. Twee jaar verbleef hij in een sanatorium, omringd door andere dwangarbeiders. ,,Daar hoorde ik over Kassel, Hamburg, Berlijn, Dachau. Toen dacht ik: Nou, ik heb het nog redelijk gehad.''

Slaager ontving bij de Mauser-Werke in Oberndorf am Neckar een ,,normaal loon'' en was 's zondags vrij. Wandluis en klompschoenen waren de voornaamste ongemakken. Waar sommige dwangarbeiders maandenlang werden gebombardeerd, kreeg Slaager slechts één bombardement te verduren, op 22 februari 1945. ,,Er vielen dertig bommen. Maar die moest je zoeken, zo groot was die fabriek. Er zijn hoofdzakelijk Russische meisjes gesneuveld.''

Behoefte om zijn leed na de oorlog op het Duitse bedrijf te verhalen heeft Slaager nooit gehad. Slechts twee Nederlandse dwangarbeiders hebben dit volgens SBO gedaan sinds dat in 1996 mogelijk werd. De SBO raadt het de voormalige dwangarbeiders af. ,,Nederlanders zijn ingezet in het kader van de Arbeitseinsatz'', zegt woordvoerder J. Peters van de stichting. ,,Het was weliswaar verplicht, maar veelal hebben ze wel loon ontvangen, zeker in het begin. Dat steekt af tegen die dwangarbeiders die vanuit de concentratiekampen tewerkgesteld werden.'' Hoewel het recht op schadevergoeding ook kan worden ontleend aan vrijheidsberoving en gezondheidsklachten, blijkt volgens Peters uit de jurisprudentie dat alleen `loonderving' weleens resultaat oplevert. En dan nog hooguit tien- à vijftienduizend mark. Na 13 mei aanstaande zijn juridische claims tegen bedrijven wegens verjaring niet meer mogelijk.

SBO heeft daarom al haar kaarten gezet op het `humanitaire fonds'. Of het fonds er echt komt is nog niet helemaal zeker, meent Peters. De Duitse overheid zou eerst de vele schadeclaims van de machtige Amerikaanse nazi-slachtoffers van tafel willen hebben. Maar Amerikaanse advocaten willen hier niet aan voldoen.

,,Och'', zegt Slaager. ,,Ik zit niet te wachten op dat geld. Dat had ik wel willen hebben toen ik in het sanatorium lag. Straatarm was ik toen.'' Hij vraagt zich bovendien af of de juiste mensen van het geld gaan profiteren. ,,Volkswagen geeft nu 12.000 gulden. Wie krijgt dat? Er zaten erbij die vrijwillig waren gekomen, die liepen te slijmen met de moffen. Moeten die nou centen krijgen?''

H. 't Hoen (76), behoort tot de 76 Nederlandse ex-dwangarbeiders die inmiddels van Volkswagen tienduizend mark hebben ontvangen. 't Hoen was een van de eersten die het geld kregen. ,,Volkswagen wilde vóór eind 1998 beginnen met uitkeren en ze kwamen in tijdnood. Ik behoorde destijds tot een groep studenten die altijd apart geadministreerd werd. Die groep was makkelijk te verifiëren.'' 't Hoen is er blij mee, niet zozeer vanwege het geld als vanwege de erkenning die erin gelegen is. ,,Ik heb er het meest last gehad van dat je er na de oorlog op aangekeken werd dat je in Duitsland had gewerkt. In Nederland hadden alle mensen in het verzet gezeten en jij had in Duitsland gewerkt. Terwijl we werden gedwongen.''

Mooi, de erkenning, maar te laat. ,,De meeste mensen bereik je niet meer. Mijn zwager werkte bij een schildersbaas. Dat bedrijfje bestaat niet meer.'' Een oplossing voor de ongelijkheid die dat geeft ziet hij niet. ,,Tenzij de overheid de taak van de bedrijven overneemt. Maar voor dat voor elkaar is zijn er geen dwangarbeiders meer .''