Ook een ober heeft schrijftalent

Het jaarlijkse theaterfestival in het stadje Taormina op Sicilië is vooral een gelegenheid om te netwerken. Een verademing was de bijdrage van The Royal Court. Dit Londense productiehuis zoekt nieuwe toneelschrijvers ,,niet in het centrum, maar aan de rand van de samenleving''.

De prijsuitreiking symboliseert het hele evenement. Men zou denken dat Italianen gevoel hebben voor enscenering en ceremonie, maar aan het slot van uitreiking van de Premio Europa per il Teatro (De Europese Theaterprijs) tronen aan een lange tafel slechts twaalf grijze hoogwaardigheidsbekleders. Ze houden twaalf dito toespraken. Wierookdampen stijgen op. In iedere zin valt braaf het woord Sicilië dat iedere spreker, geheel conform de inzichten van de organisators, ,,het Europese kruispunt van volkeren'' noemt. Het naar schatting tweeduizendkoppige publiek, bestaande uit buitenlandse theaterspecialisten en lokale belangstellenden, reageert om onbegrijpelijke redenen enthousiast. Men houdt – de vier voorgaande dagen bewezen het al – meer van praten en netwerken dan van kijken naar theater.

De Duitse choreografe en theatermaakster Pina Bausch is de winnares dit jaar, nogal laat als men bedenkt dat heel wat mindere, maar Italiaanse grootheden als Giorgio Strehler en Luca Ronconi haar voorgingen. Dat, en de nationaliteiten van bestuursleden en andere prijswinnaars wekken de indruk dat de Europese interesse in Taormina in de eerste plaats het Zuid-Europese theater geldt. Enkele Vlaamse theatermakers, als Jan Fabre en Alain Platel, worden slechts genoemd in een lijst van theatervernieuwers, Nederlandse komen er helemaal niet in voor.

Maar de Noord-Europese Bausch is nu dan toch in het zuidelijke pantheon opgenomen. Gedurende twee middagen hielden ter gelegenheid van die gebeurtenis deskundigen aller landen voordrachten over haar werk. Het object van alle aandacht verscheen uiteindelijk zelf ten tonele. Ze voelt zich verbonden met Sicilië, waar ze in 1991 Palermo Palermo maakte, ze is overdonderd door de warmte en liefde die ze hier ontmoet en ook zegt ze nog dat iedere toeschouwer haar voorstellingen naar believen mag interpreteren. Maar daar in woorden iets aan toevoegen is haar onmogelijk: als ze dat kon, zou ze geen theater hoeven maken.

Bausch heeft groot gelijk. De meesten van de uit alle hoeken van Europa en zelfs uit Amerika afkomstige theaterjournalisten hebben dan ook na een dag al hun bekomst van alle `diepte-analyses', die slechts bedoeld lijken om de ijdelheid van de sprekers te strelen. Het is een zure maar terechte vaststelling: `Taormina' verkoopt voornamelijk gebakken lucht. Theater valt er nauwelijks te zien. Pas op de derde dag wordt er een serieuze voorstelling vertoond, van de Zwitserse regisseur Christopher Marthaler, vorig jaar bekroond met de Premio Europa Nuove Realtà Teatrali, een aanmoediging voor theatervernieuwers. Die Spezialisten, een productie van het Schauspielhaus Hamburg, ging in februari in première. Marthaler, van wie in het vorige Holland Festival een enscenering van Tsjechovs Drie Zusters te zien was, brengt zijn spelers weer samen in een door zijn vaste decorontwerpster Anna Viebrock ontworpen huis clos.

Deze keer is dat het interieur van een veerboot, met elementen van een vliegtuigcabine. Met dat toneelbeeld contrasteert een tweede interieur, achterin, van een donker Wienerwald-achtig patriciërshuis. Daar zingen de acteurs af en toe een volkslied, ter ondersteuning van een ritueel drinkgelag. In de witte veerbootruimte speelt zich de hoofdmoot van de ruim twee uur durende voorstelling af: onsamenhangende, licht-absurdistische scènes die alle ongetwijfeld zoiets als het menselijk tekort moeten verbeelden.

Marthaler is een boerenslimme pasticheur van uitgerekend Pina Bausch en de enige kwaliteit van zijn werk is dat het je eens te meer doet beseffen hoe goed dat van de Duitse choreografe is. Haar gevoel voor timing, haar subtiliteit en meesterlijke montages perverteert Marthaler tot ergerlijke herhalingen die voor motieven moeten doorgaan, tot voorspelbaarheid, grove leukigheid en knullige overgangen.

Nuove Realtà Teatrali-prijswinnaar van dit jaar is het Londens productiehuis The Royal Court. Temidden van alle theoretische exposés was het openbare gesprek met de staf van dit gezelschap een verademing. The Royal Court stelt zich ten doel de toneelschrijfkunst te bevorderen en heeft wat dat betreft een lange reputatie hoog te houden. In 1956 bracht het John Osborne's Look back in Anger in première, en sindsdien debuteerden er veel andere grote toneelschrijvers als Arnold Wesker, Edward Bond, David Hare, Howard Brenton, Anne Devlin en Martin Crimp. Dankzij The Royal Court is er op dit moment opnieuw sprake van een golf van internationaal spraakmakende Engelse toneelschrijvers, van Mark Ravenhill tot Meredith Oakes, van Rebecca Prichard tot Sarah Kane. Van de laatste worden dit seizoen twee stukken in Nederland gespeeld. De staf van The Royal Court liet niet na de prijs aan haar nagedachtenis – ze pleegde onlangs zelfmoord – op te dragen.

Het voornaamste adagium van The Royal Court is dat nieuwe toneelschrijvers ,,niet in het centrum, maar aan de rand van de samenleving gezocht en gekweekt moeten worden''. De stafleden geloven heilig in ,,potential writers'', administratieve medewerkers, obers, taxichauffeurs, ,,gewone mensen met gewone beroepen'', in wie zij een verborgen talent vermoeden en die zij aanzetten tot het schrijven van een stuk. Intensieve begeleiding en ,,niet-aflatende aandacht'' doen dan vaak de rest. Het Royal Court-gebouw fungeert als een tweede thuis voor schrijvers, getuigde Rebecca Prichard. Er worden ,,writers' nights'' gehouden, openbare scriptbesprekingen, schrijvers kunnen hun eigen regisseurs kiezen en wie zijn derde of vierde stuk schrijft – de moeilijkste periode in een schrijversloopbaan, volgens de Royal Court-leiding – kan op extra ondersteuning rekenen.

Van de inmiddels overal gevierde en ook al door The Royal Court ontdekte schrijver Conor McPherson was na afloop The Weir te zien: van opzienbarende ensceneringen moet het gelauwerde productiehuis het niet hebben. De voorstelling was hopeloos traditioneel en saai toneel. Het enige waaraan toneelliefhebbers hun hart konden ophalen, was Small Collection, een dertig minuten durende compilatie uit Bausch' werk, bedoeld als `dankwoord'. Goddank bevatte het ook de scène waarin danser Lutz Forster Lena Horne's versie van The man I love met gebarentaal begeleidt. Die eenzame figuur daar op een kaal toneel, die krakerige muziek van de band, die handen die het mateloze verlangen naar liefde beschrijven, dit hoogtepunt uit de theatergeschiedenis – het maakte de teleurstelling van Taormina volslagen onbelangrijk.