Kweeniehoor in Kosovo

,,Nederlandse schrijver heeft over Kosovo geen mening'', las ik boven een artikel in Het Parool van 8 mei. ,,Nederlandse schrijvers'', zo zegt Herman Stevens, schrijver van dat artikel, ,,wonen in een ander werelddeel dan hun Franse en Duitse collega's. Het is een deel van de wereld waarin geen actualiteit bestaat.''

Niet dat de Nederlandse schrijvers gezwegen hebben over Kosovo. Integendeel, een ,,keur van scribenten heeft zich [...] op de media gestort om uit te leggen waarom ze Geen Mening over Kosovo hebben. Want er zijn verschillende manieren om geen mening te hebben.''

Heel geestig, maar is het erg dat schrijvers geen mening hebben over Kosovo of over welk ander actueel vraagstuk ook? Als ik het vertoon van ijdelheid zie die straalt uit de talloze en eindeloze artikelen die Le Monde dagelijks publiceert over Kosovo, dan geloof ik dat de Nederlandse schrijvers heel verstandig zijn er geen mening over te hebben.

Waarom zouden schrijvers een beter inzicht hebben in de toestand op de Balkan dan een ieder ander? Zijn ze soms met een soort hoger Weten begiftigd? Of zijn ze misschien het geweten der natie? In elk geval heb ik nooit gemerkt dat schrijvers op politiek of zedelijk gebied deskundiger zijn dan anderen.

Dat geldt ook voor Kosovo. ,,Wie snapt iets van de gebeurtenissen in Kosovo als hij nog nooit van eerdere Balkanoorlogen heeft gehoord?'', vraagt Henk Strabbing terecht in de Volkskrant van gisteren. Weten onze schrijvers iets van die eerdere Balkanoorlogen? Misschien alleen Tessa de Loo, wier laatste boek in Noord-Griekenland en Albanië speelt, en Den Doolaard, maar die is nu dood en werd door de literaire kritiek niet voor vol aangezien (waarschijnlijk omdat zijn boeken zo'n succes hadden).

Toch is de mythe hardnekkig dat kunstenaars uitkomst kunnen bieden waar politici en gewone mensen met de handen in het haar zitten. Zelfs de wetenschap heeft aan die mythe bijgedragen. Zo schreef B.V.A. Röling, de vader van de Nederlandse polemologie (het is natuurlijk de vraag of dat een wetenschap was – zijn Groningse instituut is in elk geval opgeheven) in zijn boek Over oorlog en vrede (1963):

,,Wil een constructieve buitenlandse politiek mogelijk worden, dan zullen d(i)e grondhoudingen dienen te worden gewijzigd, dan zal de vredeshandhaving een belangrijke plaats in de volksconsciëntie moeten gaan innemen, ten koste van nationalistische gevoelens. Verandering van een grondhouding wordt echter niet bereikt door redelijk betoog. Hier ligt de taak van de kunstenaar en de Kerk.''

Toen Röling dit schreef (in een boek dat vele herdrukken heeft gekend), waren het natuurlijk niet de bombardementen op Servië die hem hoog zaten, maar de Koude Oorlog met zijn atoombewapening. Hoe de kunstenaar zonder enige kennis van zaken op dit probleem meer licht zou kunnen werpen dan degenen die zich er beroepshalve of uit wetenschappelijke belangstelling mee bezighielden, is een raadsel, dat Röling niet nader verklaarde. Het is trouwens toch al merkwaardig dat een wetenschapsman – Röling was van huis uit een strafrechtsgeleerde van onbetwist gezag — `redelijk betoog' diskwalificeert.

Het is eerder een teken van radeloosheid wanneer zelfs de wetenschap een beroep doet op `de kunstenaar en de Kerk'. Nu, dominees die, ongeremd door enige deskundigheid terzake, politieke standpunten innemen, heeft de Nederlandse geschiedenis altijd gekend – niet het minst tijdens de Koude Oorlog. Wanneer een leek zich met een zelfde lichte bagage op hun terrein – de theologie – begeeft, wordt hij onmiddellijk, en terecht, afgestraft.

De zaken in dit licht beziend, vind ik het van grote wijsheid getuigen dat de Nederlandse schrijvers met hun mond vol tanden staan wanneer om hun mening over Kosovo gevraagd wordt. Simon Carmiggelt, wiens politieke instinct heel zuiver was, zong in een van zijn stukjes eens de lof van de man die, naar zijn mening gevraagd, altijd antwoordde:,,Kweeniehoor.''

Maar weten al degenen die zich beroepshalve met Kosovo bezighouden, het zoveel beter? Ik bedoel niet alleen de ministers, de Tweede-Kamerleden, de generaals – al dan niet b.d. –, maar ook de columnisten, van wie ik er een ben. Dezen worden geacht een behoorlijke kennis van zaken te hebben. Als ze al niet over geheime informatie beschikken, hebben ze er althans veel over gelezen. Mogen we tenminste aannemen.

Kunnen zij, in tegenstelling tot de schrijvers die van hun onwetendheid getuigen, ons wél de weg uit de duisternis wijzen? Ja, over wijsheid-achteraf beschikken velen volop: de NAVO had nooit dit of dat mogen doen of had juist wél dit of dat moeten doen. Zo kan ik het ook. Maar het gaat om wat er nu moet gebeuren.

Om dat te weten is encyclopedische kennis niet eens nodig. Natuurlijk, minimale kennis van de Balkan is gewenst – Miloševic is geen Hitler – maar instinct, Fingerspitzengefühl is dat evenzeer, en daarover beschikken deskundigen niet per definitie. Dat zal iedere politicus u vertellen. Het omgaan met de macht – en dat is politiek – vergt beide: zowel deskundigheid als instinct.

Wat mijzelf betreft, ik beken dat ik het, net als de Nederlandse schrijvers, ook niet weet. Ook na de voltreffer op de Chinese ambassade denk ik nog als Johannes Rau. Deze politicus, die hoogstwaarschijnlijk dit jaar tot bondspresident van Duitsland gekozen zal worden, zei in een interview met Der Spiegel (10 mei): ,,Ik heb in mijn eerste stellingname tot de oorlog gezegd dat ik geen alternatief zie, hoewel het perspectief na de oorlog mij niet duidelijk is; dat geldt ook voor vandaag.''