Kosovo en het recht

EEN DIEPGEWORTELD gevoel slachtoffer van de geschiedenis te zijn is kenmerkend voor het beeld dat de Serviërs van zichzelf hebben. Dit zal een deel van de verklaring zijn waarom Belgrado bij het Internationale gerechtshof in Den Haag een klacht heeft ingediend wegens genocide tegen de tien leden van de NAVO die deelnemen aan de militaire campagne tegen Miloševic. Uitgerekend deze klacht lijkt de omgekeerde wereld voor het regime dat eerste verantwoordelijkheid draagt voor het verdrijven van de helft van de Albanese Kosovaren. Dat is toch wel van andere orde dan de klacht dat bijna alle inwoners van Servië zonder elektriciteit zitten als gevolg van de NAVO-bombardementen, die door de raadslieden als bewijs van volkenmoord is aangevoerd.

De verklaring moet niet in de laatste plaats worden gezocht in overwegingen van juridische procestactiek. De NAVO-landen betwisten het recht van Belgrado hen in de internationale beklaagdenbank te zetten omdat het overblijfsel van de Joegoslavische federatie volgens hen geen lid van de Verenigde Naties is. Daarmee ontbeert het, in de woorden van de Belgische vertegenwoordiger, het toegangskaartje tot het hof. Het genocideverdrag bevat bewoordingen die een rechtstreekse rechtsmacht voor het hof kunnen scheppen.

DE BEVOEGDHEID van het Internationale gerechtshof is een afzonderlijke rechtsvraag in de procedure en hij werkt als een barrière. Pas als deze genomen is komen de rechters toe aan de werkelijke vragen die de NAVO-acties oproepen. Dat zijn vragen die er toe doen, zoals de geoorloofdheid van humanitaire interventie. Deze kwestie bevat op zichzelf weer een aantal deelvragen die van groot belang zijn, zoals de grenzen van de nationale soevereiniteit. Ook is er de vraag in hoeverre expliciete dekking van dit soort acties door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vereist is.

Het juridisch debat voor het Internationale gerechtshof heeft zijn beperkingen. Tegenover de typering van het internationale geweldsverbod als ius cogens (dwingend recht) staat de erkenning van necessitas (dwingende noodzaak) als een zelfstandige omstandigheid die gedragingen rechtvaardigt die anders onrechtmatig zouden zijn onder internationaal recht. Wat de rechters in het hof – voor de gelegenheid aangevuld met rechters uit betrokken staten – er ook van maken, boven elke uitspraak hangt de schaduw van de zaak Nicaragua tegen de Verenigde Staten van 1986. De VS legden toen een veroordeling wegens het leggen van mijnen naast zich neer.

Toch moet het belang van deze procedure niet worden onderschat als een mogelijke bijdrage aan de ontwikkeling van het internationale recht. Dat heeft in de woorden van een bekende jurist na de oorlog de handicap dat het zich niet normaal kan ontwikkelen door wetgeving omdat er immers geen vaste internationale wetgever bestaat. Vandaar het belang van een hof dat, zoals het is uitgedrukt, representanten bevat van ,,de belangrijkste tradities en de voornaamste rechtsstelsels in de wereld''.