Het jaar van de ongevraagde Raad

De euro-11, het overleg tussen de eurolanden, is in het eerste jaar van zijn bestaan niet de politieke tegenhanger van de Europese Centrale Bank geworden. Niet, of nog niet? Het relaas van een ongevraagde Raad.

Vorig jaar juni kwam hij, in een kasteeltje in Luxemburg, voor het eerst bijeen: de euro-11 raad. Op aandringen van vooral Frankrijk zouden de elf landen waarvan sinds 1 mei van dat jaar vaststond dat ze de euro invoerden, voortaan aparte bijeenkomsten houden. Over de pan-europese economie, die voortaan door het leven zou gaan als de `eurozone', over het begrotingsbeleid, en over alle andere zaken die met de komst van de euro de lotsverbondenheid van de muntunie-landen vegrootten. De bijeenkomsten van de euro-11 zijn sindsdien routine geworden. Ze worden gehouden in de ochtend, voorafgaand aan elke formele bijeekomst van de EU-ministers van Financiën, die doorgaans valt op de tweede maandag van elke maand.

Gisteren, in Brussel, sloten de ministers van Financiën van de eurolanden het eerste jaar van euro-11-bijeenkomsten af. Is het forum in dat jaar uitgegroeid tot wat het had moeten worden? Dat ligt aan de bedoeling die de verschillende eurolanden met de bijeenkomst hadden.

De oorspronkelijke naam voor de euro-11 was `stabiliteitsraad', en stamt uit de tijd dat de laatste hand werd gelegd aan de architectuur van de Economische en Monetaire Unie. In de herfst van 1996 opperde de Duitse minister van Financiën Waigel dat landen die aan de euro mee zouden doen hun begrotingsdisclipline zouden vastleggen in een `stabiliteitspact'. Daarin zouden zij toezeggen hun begrotingstekorten tot gemiddeld nul terug te brengen, en in ieder geval niet te laten stijgen tot boven de 3 procent van het bruto binnenlands product. Tegenover het Duitse idee stond een Frans idee: waar het monetair beleid op nationale schaal een kwestie is van een machtsverdeling tussen de centrale bank en de politiek, moest ook de nog op te richten Europese Centrale Bank een politieke tegenhanger krijgen. Omdat de ministers van Financiën in de monetaire unie niet alleen met hun begrotings- en economisch beleid het monetaire klimaat in de eurozone zouden beïnvloeden, maar ook formeel zeggenschap hielden over het wisselkoersbeleid, zou een politieke `stabiliteitsraad' een logische metgezel zijn van het Duitse stabiliteitspact.

Niet iedereen was gecharmeerd van het idee: het Duitsland onder Helmut Kohl niet, en zeker ook Nederland niet. Elke poging tot politieke beïnvloeding van de Europese Centrale Bank, al was het alleen maar voor de schijn, was uit den boze.

Toch kwam de stabiliteitsraad er wel, in de vorm de euro-11. Maar als `politieke tegenhanger' van de ECB heeft de euro-11 nog geen reputatie op kunnen bouwen. Minister Zalm (Financiën) was vorig jaar een fervent tegenstander van de euro-11 maar koos, toen de instelling van dat forum onvermijdelijk was, eieren voor zijn geld. Als de euro-11 er toch van kwam, dan konden ook de tegenstanders zich beter inzetten om er toch een zinvolle bezigheid van te maken. Zalm zei gisteren in Brussel het nut er wel van in te zien, al was het maar omdat de kleine bezetting (bij een euro-11 zitten er zo'n 22 mensen rond de tafel, tegen meer dan 60 bij een voltallige raad van ministers van Financiën), een vrije discussie over de stand van de euro-economie doenlijk maakt. Maar een enthousiaste indruk maakt Zalm nog steeds niet.

Toch is de euro-11 niet de politieke tegenhanger van de ECB geworden die was gehoopt, of gevreesd. Een periode van politiek activisme, toen de inmiddels afgetreden Duitse SPD-minister van Financiën de leiding van de euro-11 had, is achter de rug. En over de lage koers van de euro, die behoorlijk binnen het formele domein van de ministers ligt, is de laatste maanden een grote terughoudendheid betracht. De eurokoers werd aan de centrale bankiers overgelaten.

Maar een jaar is kort, en bovendien zijn er in de euro-economie nog geen kwesties gerezen die de verhoudingen op scherp kunnen stellen. De economische terugval van de jongste twee kwartalen is niet diep genoeg om acute begrotingsproblemen op te leveren. En de jongste renteverlaging door de centrale bankiers in Frankfurt wordt in de Europese hoofdsteden gezien als een coöperatief gebaar. De echte karaktertest voor de euro-11 moet misschien nog komen.

En op de achtergrond speelt nog steeds de Franse wens om de euro-11 meer te maken dan hij nu is. Vorige maand, tijdens een informele bijeenkomst van de ministers van Financiën in Dresden, lanceerde de Franse minister Strauss-Kahn een plan voor een `economische regering' in de eurozone. De trefwoorden in dat plan waren een gecoördineerd werkgelegenheidsbeleid met vastgestelde streefdoelen, een euro-brede definitie van het minimumloon, belastingharmonisatie en het gebruik van de begroting als conjuncturele stabilisator.

Sommige van deze punten waren al onder discussie in Brussel, maar samengebald maken ze de coherente indruk van een gecoördineerde financieel-economische politiek. Strauss-Kahn, die de gevoeligheden voor dit soort van vergezichten kent, was de eerste om toe te voegen dat het plan geen `tactische' zet was, en dat er geen `duistere motieven' achter schuil gaan. Maar Europese politiek is er een van de lange adem. De `stabiliteitsraad', nu de euro-11, had er tenslotte ook nooit mogen komen.