Het beleg

Ik heb 't overleefd.

Ik heb ze overleefd.

Ze zijn weg, en ik ben er nog, en ik kan het navertellen.

Ze kwamen op een maandagmorgen heel vroeg, aan de voordeur en namen bezit van mijn huis. Ze liepen me voorbij, naar binnen, keken rond in de hal, staken de lichten aan, wierpen een blik in de huiskamer en gingen de trap op naar de slaapkamer. Ik stond ze na te kijken, en de moed zonk me in de schoenen toen ik me realiseerde dat ik voorlopig niets meer zou hebben in te brengen. Dit was weliswaar mijn eigen huis, maar deze invasie was mijn eigen keus geweest: het huis moest geschilderd worden.

Als mijn man nog geleefd had was 't al lang gebeurd. Hij zou het zelf gedaan hebben, en we hadden samen de rommel, de vermoeienis en de voldoening meegemaakt. Hoewel, allebei 76, nee, ik denk toch dat we iemand hadden laten komen. De twee mannen die mijn woning in beslag hadden genomen gedroegen zich daar als heer en meester, zij duldden mij om zich heen en gunden me, toch vriendelijk, een pan in de keuken en een stoel in de kamer om in leven te blijven. En verder waren we met man en muis aan hun driften en wanen overgeleverd. Ze schraapten en schuurden, krabden en krasten, plakten en pleisterden. Ramen en deuren stonden open, de radio dreunde en drensde en jengelde. Richels en kieren werden volgespoten, lange slierten afplakband kronkelden langs de ramen naar boven en langs de kozijnen weer naar beneden, emmers vol verf, dozen vol kwasten, vernis en lak, messen en sponzen, ladders en trapjes, kranten en lappen, dit alles kwam uit hun wagen tevoorschijn en ze verspreidden het in mijn huis, in alle kamers, over alle vloeren, onder alle tafels en tegen alle muren.

Alles werd bedekt met een dikke laag stof...

Het hele huis stonk naar verf, lak en plak...

Iedere vroege morgen vóór dageraad heb ik de lichten aangestoken, de deuren van 't slot gedaan en vriendelijk goedemorgen gezegd.

Ik heb in de kale koude keuken koffie gezet, soep gekookt, bekers gespoeld en asbakken geleegd, gedachtig de lijfspreuk van Napoleon `het moreel van de troepen steunt op de ravitaillering'.

Vrienden en buren die afkwamen op de ongebruikelijke drukte hieven hun handen ten hemel, staarden vol afgrijzen in het rond en zeiden medelijdend: ,,Dit is erger dan verhuizen!''

Maar toen ik begon te merken hoe vreselijk moe ik werd van de rommel, van het stof, die kale kamers en die eeuwige radio en ik me boos en radeloos afvroeg waarom ik niet bij een vriendin was gaan logeren in plaats van hier van dag tot dag het werk te zien vorderen, toen was het opeens bijna klaar. De oude bruine verf was verdwenen, en de grauwe muren waren weer fris en schoon. Opeens, zo leek het, waren er nog maar een paar kleine kwastjes nodig `om de laatste plekjes aan te tippen', en toen opeens was het de laatste ochtend, ik had de aanval doorstaan en het er onbeschadigd vanaf gebracht. Toen gingen de lappen, de kranten, de lege emmers, de borstels en het schuurpapier, de ladders en de rollen tape weer terug in de wagen; de slierten plakband lagen als opgerolde cobra's in de hoeken bij elkaar, ten slotte verdwenen de broodtrommeltjes en de thermosflessen voor de laatste keer in de tassen, en we dronken afscheidskoffie in de blinkende keuken.

Ze waren klaar! Ze gingen weg en de deur ging dicht.

Ik heb m'n have en goed weer onder de lakens vandaan gehaald, alles uitgepakt, afgewassen, opgeruimd en opgehangen, en nu zit ik, in mijn schone huis waaraan ik, gode zij dank, de eerste jaren niets meer hoef te doen.

't Is heel mooi geworden, ik denk dat mijn man gezegd zou hebben: ,,Een hele verbetering, moessie! Hadden we jaren eerder moeten doen.'' Jammer dat hij het niet meer kan zien.