Boter na kanonnen

OORLOG IS DUUR en vrede nog duurder. Terwijl de oorlog om Kosovo onverminderd voortwoedt, wordt er voorzichtig gesproken over de wederopbouw die na beëindiging van het geweld moet plaatshebben. Het gaat tegenwoordig niet om de keuze tussen kanonnen of boter, maar eerst om de kanonnen en vervolgens de boter. Vroeg of laat zal de internationale gemeenschap de wederopbouw van de Balkan, inclusief Servië en Montenegro, moeten aanpakken. Waarbij ook de politieke integratie van deze regio in breder Europees verband aan de orde zal moeten komen.

De Europese Commissie heeft deze week een schatting openbaar gemaakt van de kosten voor de wederopbouw van Kosovo: twee à 3,5 miljard dollar over een periode van drie jaar. Over de wederopbouw van de verwoeste Joegoslavische economie en infrastructuur heeft men geen schatting willen maken. Daarnaast is, afhankelijk van de verdere duur van de oorlog, de humanitaire hulp aan Albanië en Macedonië geschat op 340 à 780 miljoen dollar. Voor economische hulp aan de buurlanden in de regio worden bedragen genoemd van 650 miljoen tot 1,5 miljard dollar. De Wereldbank heeft vorige maand al schattingen gemaakt van meer dan een miljard dollar financiële steun voor de regio – exclusief Joegoslavië – om de deviezenschaarste en begrotingstekorten aan te vullen.

De directe gevolgen van de oorlogshandelingen gaan verder dan de verwoeste bruggen, de vernietigde raffinaderijen en kapotgeschoten fabrieken in Joegoslavië. De handel van Roemenië en Bulgarije wordt getroffen door het geblokkeerde transport over de Donau. Banken zeggen lopende kredietlijnen op of eisen een hogere vergoeding. Economische hervormingen zijn stilgezet of worden teruggedraaid. Buitenlandse investeerders en toeristen blijven weg. Het enige wat bloeit zijn smokkel, drugshandel en, naar valt te vrezen, wapen- en mensenhandel.

CYNISCH GENOEG kan het einde van de oorlog betekenen dat er grotere aandacht komt voor de economische achterlijkheid van de Balkan. Deze landen bevinden zich halverwege een moeizame ontworsteling aan de erfenis van de failliete commando-economie. Ze kampen tegelijkertijd met problemen van chronische armoede, hoge bevolkingsgroei en economische onderontwikkeling. Aan de rand van de welvarende Europese Unie blijft de regio een bron van spanningen als een beter economisch perspectief uitblijft.

Na het vredesakkoord voor Bosnië in 1995 heeft de internationale gemeenschap aanzienlijke hulpbedragen toegezegd. Voor de hele regio zal iets soortgelijks moeten gebeuren. Na de wijze waarop de NAVO in een even kostbare als klungelig gevoerde oorlog is gestruikeld, kan slechts gehoopt worden dat de wederopbouw verstandiger wordt aangepakt. Het zal in ieder geval een kwestie van lange adem en veel geld zijn.

EEN DIEPGEWORTELD gevoel slachtoffer van de geschiedenis te zijn is kenmerkend voor het beeld dat de Serviërs van zichzelf hebben. Dit zal een deel van de verklaring zijn waarom Belgrado bij het Internationale gerechtshof in Den Haag een klacht heeft ingediend wegens genocide tegen de tien leden van de NAVO die deelnemen aan de militaire campagne tegen Miloševic. Uitgerekend deze klacht lijkt de omgekeerde wereld voor het regime dat eerste verantwoordelijkheid draagt voor het verdrijven van de helft van de Albanese Kosovaren. Dat is toch wel van andere orde dan de klacht dat bijna alle inwoners van Servië zonder elektriciteit zitten als gevolg van de NAVO-bombardementen, die door de raadslieden als bewijs van volkenmoord is aangevoerd.

De verklaring moet niet in de laatste plaats worden gezocht in overwegingen van juridische procestactiek. De NAVO-landen betwisten het recht van Belgrado hen in de internationale beklaagdenbank te zetten omdat het overblijfsel van de Joegoslavische federatie volgens hen geen lid van de Verenigde Naties is. Daarmee ontbeert het, in de woorden van de Belgische vertegenwoordiger, het toegangskaartje tot het hof. Het genocideverdrag bevat bewoordingen die een rechtstreekse rechtsmacht voor het hof kunnen scheppen.

DE BEVOEGDHEID van het Internationale gerechtshof is een afzonderlijke rechtsvraag in de procedure en hij werkt als een barrière. Pas als deze genomen is komen de rechters toe aan de werkelijke vragen die de NAVO-acties oproepen. Dat zijn vragen die er toe doen, zoals de geoorloofdheid van humanitaire interventie. Deze kwestie bevat op zichzelf weer een aantal deelvragen die van groot belang zijn, zoals de grenzen van de nationale soevereiniteit. Ook is er de vraag in hoeverre expliciete dekking van dit soort acties door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties vereist is.

Het juridisch debat voor het Internationale gerechtshof heeft zijn beperkingen. Tegenover de typering van het internationale geweldsverbod als ius cogens (dwingend recht) staat de erkenning van necessitas (dwingende noodzaak) als een zelfstandige omstandigheid die gedragingen rechtvaardigt die anders onrechtmatig zouden zijn onder internationaal recht. Wat de rechters in het hof – voor de gelegenheid aangevuld met rechters uit betrokken staten – er ook van maken, boven elke uitspraak hangt de schaduw van de zaak Nicaragua tegen de Verenigde Staten van 1986. De VS legden toen een veroordeling wegens het leggen van mijnen naast zich neer.

Toch moet het belang van deze procedure niet worden onderschat als een mogelijke bijdrage aan de ontwikkeling van het internationale recht. Dat heeft in de woorden van een bekende jurist na de oorlog de handicap dat het zich niet normaal kan ontwikkelen door wetgeving omdat er immers geen vaste internationale wetgever bestaat. Vandaar het belang van een hof dat, zoals het is uitgedrukt, representanten bevat van ,,de belangrijkste tradities en de voornaamste rechtsstelsels in de wereld''.