Balkanvrede vereist hulpplan

Veel Balkanlanden zijn uiterst sceptisch over de NAVO-luchtacties. Dat kan veranderen als het Westen een duurzame oplossing biedt voor de huidige problemen in het gebied, vindt Ivan Krastev.

Al hebben de regeringen van Bulgarije, Roemenië, Macedonië en Griekenland ingestemd met de NAVO-aanvallen op Joegoslavië, een meerderheid van de bevolking van deze landen staat er van meet af aan sceptisch of zelfs vijandig tegenover.

Dit heeft in de eerste plaats een historische oorzaak. Van oudsher staat de Balkan argwanend tegenover ieder optreden van de grote mogendheden in deze regio. Zij zijn in de ogen van de bewoners van de Balkan veeleer de veroorzakers dan de bestrijders van de ellende. De geschiedenis is er dan ook debet aan dat beloften van machtige buitenstaanders met argwaan worden bekeken.

De tweede oorzaak van de aarzeling de NAVO-operatie te steunen is de diepe teleurstelling van Bulgaren, Roemenen en Macedoniërs over wat de val van het communisme hun heeft gebracht. De lange mars door het `tranendal' naar een twijfelachtige bestemming heeft niet alleen de positie van hervormingsgezinde regeringen in deze landen ondermijnd, maar ook het vertrouwen in het Westen.

De Muur is neergehaald, maar ervoor in de plaats is de democratische muur van Schengen gekomen die reizen tussen Oost-Europa en de EU in de praktijk onmogelijk maakt.

Voor de meeste mensen is het leven nu moeilijker dan voorheen. De communistische welvaartsstaten zijn veranderd in postcommunistische vaarwelstaten, gekenmerkt door corruptie, armoede en een ontredderd sociaal stelsel. Merendeels hebben ze hun BNP de afgelopen tien jaar met zo'n 30 procent zien dalen. Velen geven daar het Westen de schuld van, want daar is het leven beter. Het feit dat de nieuwe democratieën bij hun streven naar economische groei geen effectieve steun van de EU krijgen, wordt gezien als een weigering van de EU om het zuiden van het continent te integreren. Het pro-Servische sentiment in de regio is dus in feite rancune jegens het Westen.

Een andere reden voor het omslaan van de steun voor de NAVO-acties, is het gebrek aan visie van het Bondgenootschap bij het opstellen van een nieuwe orde voor de Balkan. Dat de NAVO geen langetermijnbeleid voor de regio wil formuleren, betekent in de ogen van het publiek dat de NAVO zich niet wil vastleggen. De taak waarvoor de NAVO thans staat is niet simpelweg `een eind aan de oorlog maken', maar een visie te ontvouwen op de vrede die volgt. Alleen zo kan de NAVO op de steun van de publieke opinie rekenen.

De discussie over de toekomst van de Balkan ná Miloševic is voor het succes van de NAVO van groot belang. Maar het Bondgenootschap is niet toe aan zo'n discussie, omdat zij niet duidelijk schijnt te beseffen waar het om gaat. Het is namelijk niet de vraag waar straks de grenzen komen te liggen, maar wel wat voor een staten er straks in de regio gevestigd zullen zijn. Ook is belangrijk hoe groot de kans van de Balkan is om tot het nieuwe Europa te gaan behoren. Want als er iets is dat het handelen van regeringen en publiek bepaalt, dan is het wel de obsessieve angst om van dat nieuwe Europa te worden uitgesloten.

De belangrijkste zorg van de publieke opinie op de Balkan (met uitzondering van Joegoslavië) is of de NAVO bereid is door te zetten. Dat de VS geen grondtroepen willen inzetten is een teken dat voor de NAVO de `prijs' van de oplossing belangrijker is dan haar duurzaamheid. Bovendien lijkt die `prijs' uitsluitend te worden begroot in termen van rechtstreekse verliezen aan geallieerde zijde; andere mensenlevens schijnen een quantité négligeable.

Wil de NAVO rekening houden met de verwachtingen van de buren van Servië, dan moet zij consequent streven naar afzetting van Miloševic en daarvoor zo nodig grondtroepen inzetten. Daarnaast is het voor de NAVO van kritiek belang de crisis zo snel en beslissend mogelijk op te lossen.

De discussie over het verleggen van grenzen werkt alarmerend. De bevolking van de Balkan heeft niet veel op met `rechtvaardige grenzen'. Zij vindt de bestaande grenzen niet rechtvaardig. Aan de andere kant heeft men de waarde van de status quo leren beseffen: de bestaande grenzen zijn goed omdat ze er zijn. Men kan moeilijk verwachten dat de landen in de regio zullen instemmen met de vorming van een `Groot-Albanië' – zomin als ze hebben ingestemd met een `Groot-Servië'.

Een mogelijke redenering luidt aldus: ,,Kosovo moet autonoom worden of zelfs onafhankelijk; maar de NAVO moet blijven om te voorkomen dat de onafhankelijkheid van Kosovo destabiliserend werkt op Macedonië of het Albanees expansionisme voedt.'' Vanuit dit perspectief roepen schijnbaar vanzelfsprekende en rationele maatregelen van de NAVO, zoals het bewapenen van het UÇK, dadelijk rampscenario's op. Het probleem hierbij is niet alleen het gevaar van een `nieuwe-grenzenkoorts' in de regio. Het bewapenen van het UÇK brengt de dreiging met zich mee van het `Taliban-effect' – ongecontroleerde strijdgroepen met oncontroleerbare motieven. Zowel regeringen als burgers zijn bang dat bevordering van het UÇK tot landleger van de NAVO weliswaar nuttiger zou kunnen zijn om een einde aan de oorlog te maken, maar niet om een begin met de vrede te maken.

Belangrijke destabiliserende factoren in de regio zijn de opkomst van de georganiseerde misdaad, gepaard gaande met een afbrokkelend staatsgezag. Gezien de tienduizenden vluchtelingen in zwakke staten zoals Albanië, Macedonië en Montenegro, vreest menigeen dat het bewapenen van het UÇK straks beter bewapende `condottieri' zal opleveren. Een dergelijke ontwikkeling van een chronisch misdaad-producerende en -exporterende regio, gedomineerd door mafiose politici, is de angstdroom van iedereen op de Balkan.

Om de steun van de bevolking op de Balkan te winnen moet de NAVO in de eerste plaats duidelijk te kennen geven dat zij in de toekomst bijzondere zorg aan de Balkan zal schenken, zodat de situatie nooit zo achteruit kan gaan dat het tot luchtaanvallen komt.

Verder moet de NAVO in Kosovo haar steun verlenen aan geloofwaardige, krachtdadige politici van gematigde signatuur. Het is geen toeval dat de troepen van Miloševic juist onder deze groep Westersgezinde leiders zoveel mogelijk mensen vermoorden.

Ten derde moet de NAVO verder gaan dan het bespreken van aftochtstrategieën en zich bereid tonen een rol te spelen in de democratische toekomst van de regio.

Zo'n nieuw beleid zal echter onrealistisch zijn tenzij het de volgende punten bevat:

– Erkenning van Albanië, Bulgarije, Macedonië en Roemenië als integraal onderdeel van een Europese, door de NAVO te beschermen veiligheidszone.

– Ontwikkeling van een Marshallplan voor de Balkan door EU en VS, voor de ontwikkeling van regionale infrastructuren en duurzame economische groei, en met als onderdeel de financiering van een omvangrijk maatschappelijk-educatief programma gericht op een nieuwe generatie leiders.

De bevolking van de Balkanlanden moet vertrouwd raken met de gedachte dat democratie en vrije markt lonen. Wat de NAVO nodig heeft is dan ook geen aftocht-strategie maar een opmars-strategie voor de hele Balkan.

Ivan Krastev is directeur van het Centrum voor Liberale Strategieën in Sofia.