Wereldmusici bij Nieuw Ensemble

Een spin ziet minder goed maar hij heeft wel acht ogen. Acht oren en acht ogen zou men goed kunnen gebruiken bij het Nieuw Ensemble in het spectaculaire en veeleisende programma `Nieuw Land' met werken uit Australië, Azerbajdzjan, China (Hong Kong) en Israel. De solisten, met hoboïst Ernest Rombout als uitzondering, komen eveneens uit verre streken. Ze musiceren op Japanse, Chinese en Turkse citers als coto, Zheng en Qânûn en een Azerbajdzjaanse târ-virtuoos bespeelde een soort zevensnarige banjo die 4000 jaar na zijn ontstaan nog een weg vond in zigeunerorkesten en Amerikaanse Salvation Army-bands.

Oren en ogen komen we tekort in Faradj Karajevs Khutba, Mugam & Surah uit 1998. Faradj, in Bakoe in 1943 geboren als zoon van Kara Karajev, de grondlegger van de Azerbajdzjaanse componistenschool, haalt van alles overhoop. Zijn inspiratiebronnen variëren van paleolithische wandtekeningen tot Becketts absurd theater en op de tape kan ook van alles klinken, zoals natuur- en stadsgeluiden tot aan het huilen van baby's toe. In dit geval combineerde hij muezzi-recitatie op een Korantekst uit de 65ste Surah Al-Kijama: `Helaas, jullie beminnen slechts het snel voorbijgaande!' en dát krijgen we ingepeperd, steeds weer wordt elke zinsnede onderbroken door een strikt atonaal ensemblespel, het houdt maar niet op.

Met zekere weemoed herinnerde ik me zijn ingehouden Small Music of the Sad Night uit het Holland Festival van 1989. Maar de centrale târ-solo van Mohlet Muslimov kan mij niet lang genoeg duren. Muslimov zit als een spin in een fijn gesponnen zijdeweb van zacht natrillende instrumenten als mandoline, banjo en gitaar. Strikt monolitisch is Koto uit 1993 van de Australische Liza Lim (1966). De klagende citer beheerst hier een loom en lui ensemble dat zich uit in geeuwende glissandi. Koto is een studie in resonanties met een frappante, zij het enigszins geforceerde, fluitsolo aan het slot.

De Israeliër Daniel Landau (1973) plaatst in een fragmentarisch stuk de qânûn centraal. Die genereert weer de tape waarna een eenstemmig quasi-arabisch ensemble verrassend afbreekt in heftige staccato-akkoorden. Die tape had hij beter kunnen vervangen door het slagwerk.

Uit een programma als `Nieuw Land' zou men kunnen afleiden dat folklore in het nabije en verre Oosten de belangrijkste inspiratiebron vormt. Maar de meeste componisten zoeken niets liever dan aansluiting bij het Westen en de componisten uit Hong Kong, Engels opgevoed, hebben al helemaal niets met de Chinese cultuur. In Taiwan componeren ze Chineser! Chen Xiayong (1955) ging ondanks zijn kosmopolitische opvoeding in Invisible Landscapes (1998) op zoek naar zijn Chinese roots. Jeugdherinneringen spelen mee in een afgewogen en mooi opgebouwde compositie voor zheng, slagwerk, piano en klein ensemble. De elegant verhalende muziek mondt uit in een speels scherzo voor zheng, geprepareerde piano en trom.

Het hoogtepunt brengt zijn landgenoot Chen Xigang (1951). Diens Extase II uit 1997 voor hobo en ensemble is een eerbetoon aan zijn in 1993 overleden collega Mo Wuping. Weelderige klankgolven als van Toru Takemitsu, waarvoor zelfs Ravel had getekend, doen alle gedachtes aan exotiek en folklore vergeten. Niets is gezocht, een extravagante tape ontbreekt in een overzichtelijke muziek, waar alles op zijn plaats valt: vorm beweging, kleur en uitdrukking. Perfect voor twee oren om naar te luisteren, al had hoboïst Rombout eigenlijk over extra longen moeten beschikken voor zijn uitzonderlijk veeleisende solo. En wat werd er onnavolgbaar fraai gemusiceerd.

Concert: Nieuw Ensemble o.l.v. Ed Spanjaard. Gehoord 6/5 Concertgebouw Amsterdam. Herh. 10/5 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht.