Vredesmacht op Oost-Timor is noodzaak

Onder supervisie van de Verenigde Naties tekenden Indonesië en Portugal de afgelopen week een historisch akkoord over Oost-Timor: op 8 augustus kunnen de Oost-Timorezen naar de stembus om te laten weten of zij in de toekomst wel of niet deel van de Indonesische archipel willen uitmaken.

Dat `bezetter' en `kolonisator' het na 24 jaar van bakkeleien en talloze VN-resoluties eens zijn geworden, werd op Oost-Timor met scepsis ontvangen. Dat is geen wonder. Terwijl duizenden kilometers verderop Indonesië en Portugal hun handtekening onder de overeenkomst zetten, liet een aantal pro-Indonesische paramilitaire groepen weten dat zij het akkoord verwerpen en zich voorbereiden op een gewapende strijd voor aansluiting bij Indonesië.

Terecht menen lokale mensenrechtenorganisaties, politici en studenten dat de overeenkomst geen garantie biedt voor de veiligheid van de bevolking en evenmin voor een vrij en eerlijk verloop van het referendum. Het is van het grootste belang dat de paramilitairen die verantwoordelijk zijn voor een terreurcampagne waarbij de afgelopen maanden zeker tientallen en mogelijk zelfs honderden burgers werden vermoord, zo snel mogelijk ontwapend worden.

Het akkoord voorziet echter niet in een mechanisme om die ontwapening in praktijk te brengen. Volgens de overeenkomst zullen het Indonesische leger en de politie verantwoordelijk blijven voor de veiligheid op Oost-Timor.

Het is naïef te denken dat deze troepen nu ineens als neutrale macht zullen fungeren. Bij de regering in Jakarta mag wellicht de politieke wil bestaan om Oost-Timor los te laten, in legerkringen ligt dat anders. De Indonesische militairen hebben prestige en economische belangen te verliezen en ze zijn ervan overtuigd dat een zelfstandig Oost-Timor de onafhankelijkheidsbewegingen in Atjeh en Irian Jaya – wingewesten voor Java – nieuwe impulsen zal geven. Bovendien is het Indonesische leger bondgenoot en wapenleverancier van de paramilitaire groepen; `Oosttimorisatie' van het conflict is een strategie die ook in het verleden al werd gehanteerd. Deze paramilitairen claimen dat zij deel uitmaken van een volksbeweging die aansluiting wil bij Indonesië. In werkelijkheid zijn zij een creatie en instrument van het Indonesische leger en hebben vrijwel geen spontane steun van de bevolking. Door deze milities in te zetten probeert het Indonesische leger het conflict als een Oost-Timorese burgeroorlog te presenteren. Daarmee vangen de militairen twee vliegen in één klap: zij kunnen de handen in onschuld wassen en tegelijkertijd de handhaving van hun troepenmacht rechtvaardigen.

Er zijn talloze voorbeelden van terreuracties door paramilitairen waarbij leger en politie geen enkele poging deden het geweld te stoppen of naderhand de schuldigen op te sporen en te berechten. De aanwezigheid van – ongewapende – internationale waarnemers en adviseurs voor de politie waarin het akkoord voorziet, is niet meer dan een doekje voor het bloeden.

Wie recentelijk Oost-Timor heeft bezocht en de paramilitairen in actie heeft gezien, zal zich geen illusies maken dat deze adviseurs en waarnemers veel kunnen uitrichten. Om een vrije en eerlijke stemming te garanderen is op zijn minst een goed uitgeruste en omvangrijke internationale vredesmacht nodig. Die zou moeten toezien op de ontwapening van de paramilitairen en op de terugtrekking van een substantieel deel van de Indonesische troepen.

Dat interim-president Habibie slechts heeft toegestemd in de aanwezigheid van enige honderden – ongewapende – waarnemers en adviseurs en niet in de stationering van een vredesmacht, is voorspelbaar. Hij heeft zijn militairen in deze turbulente tijden hard nodig en moet omzichtig manoeuvreren om de weinige steun die hij binnen het leger heeft niet te verspelen.

Dat de Verenigde Naties het hierbij laten is minder makkelijk te begrijpen. Jarenlang hebben zij resoluties aangenomen waarin de bezetting van Oost-Timor veroordeeld wordt en waarin Indonesië wordt opgeroepen haar troepen onmiddellijk en onvoorwaardelijk terug te trekken.

Het is merkwaardig dat de Verenigde Naties nu diezelfde troepen in staat achten een veilig klimaat voor de volksraadpleging te garanderen. Met een opportunistische ommezwaai is het Indonesische leger plotseling van onderdeel van het probleem tot oplossing gebombardeerd.

In tegenstelling tot president Habibie is de internationale gemeenschap wel in een positie om het Indonesische leger tot concessies te dwingen. Om te beginnen zouden landen als de Verenigde Staten en Engeland de verkoop van militair materieel en de militaire samenwerking met Indonesië kunnen opschorten zolang het leger weigert de troepenmacht te verminderen en doorgaat met het steunen van de paramilitairen.

Ondertussen zijn de inwoners van Oost-Timor ten prooi aan angst en onzekerheid. Die worden nog eens vergroot omdat onduidelijk is wat er gaat gebeuren als de bevolking het voorstel voor autonomie afwijst.

De meeste Oost-Timorezen zijn zich ervan bewust dat hun land niet van vandaag op morgen op eigen benen kan staan. Niet voor niets pleiten leiders van de onafhankelijkheidsbeweging voor een overgangsperiode van minimaal vijf jaar. Zolang een uitgewerkt alternatief voor het autonomievoorstel ontbreekt, kan geen sprake zijn van een vrij en eerlijk referendum.

Vrijwel niemand betwijfelt dat het merendeel van de Oost-Timorese bevolking een onafhankelijke staat wil. In de 24 jaar van de bezetting kwam minstens eenderde van de bevolking om door oorlog, honger of ziekte en de afkeer van Indonesië zit diep. Onder de huidige omstandigheden is de kans groot dat de uitkomst van het referendum die wens niet zal weerspiegelen.

Door de volksraadpleging met deze halfslachtige voorbereidingen te laten plaatsvinden, valt te verwachten dat het geweld de komende tijd alleen maar toeneemt. De paramilitairen zullen door intimidatie van de bevolking proberen de stemming te beïnvloeden of zelfs onmogelijk te maken. Wrang genoeg spelen de Verenigde Naties met hun missie vooralsnog het Indonesische leger in de kaart.

Minka Nijhuis is publicist.