Column

Supporter

Ben naar de New York Yankees geweest. Het stadion was volledig uitverkocht en ik had de een na laatste plek. Schellinkje dus. Ver van de pitcher. Heel ver zelfs.

De match begon voortvarend. De derde slagman, korte stop Derek Jeter, lelde hem meteen het stadion uit. Mooi muziekje, knetterend scorebord, juichende supporters, zonnetje, kortom: wat wil je nog meer? We wilden veel meer, maar helaas...

In de volgende innings kwam er nog wel eens een over de plaat (het werd uiteindelijk 6-1), maar het was zo saai, vervelend en vooral kinderachtig. Soms verscheen er op het scorebord Noise en dan maakte iedereen lawaai, een andere keer kwam er uit de speakers een lullig ritme en dat klapte iedereen braaf mee, de Yankees-mother of the Year werd gekozen, we moesten een moederdagliedje voor ons sweetheart zingen en iedereen deed het, er kwam een aantal debiele mascottes het veld op, die gingen naar ons zwaaien en iedereen zwaaide braaf terug, alle jarigen werden voorgelezen en gefeliciteerd en het volk klapte als een bus dementen op hun jaarlijkse reisje.

Of men ook naar de wedstrijd keek? Soms. Men haalde suikerspin, bier, pizza, nootjes, cola, nog meer bier, nog meer suikerspin, nog meer pizza, nootjes, ijs en daarna nog maar een keer. Het was uiteindelijk moederdag. Een keer protesteerde iemand van de Seattle Mariners omdat hij vond dat hij in was, de Yankees-supporters zagen het gelaten aan en ik had de indruk dat het hun ook niet echt uitmaakte. Verder sleepte de wedstrijd zich voort, maar van het publiek geen wanklank. Yankees-petje op, Yankees-shirtje aan, Yankees-kindje op schoot, pizzaatje erbij en wat wil je nog meer?

Veel meer. Maar er kwam niks meer. Halverwege de zevende innings keek ik opzij naar mijn vrouw. Ze sliep. Diep en gelukkig. Van mij mocht ze. Het was tenslotte moederdag. Daarbij had ze gelijk. Groot gelijk.