Oorlogsweeskind Van Huiden strijdt 56 jaar voor rechtsherstel

David van Huiden, een joods weesjongetje uit Amsterdam, wacht 56 jaar na de deportatie van zijn ouders nog steeds op begrip en rechtsherstel.

Alleen voor hem hadden zijn ouders een scenario bedacht. Als de Duitsers hen kwamen halen, zou David van Huiden, acht jaar oud toen de oorlog begon, met hun Duitse herder gaan wandelen. Hij had de route moeten oefenen. De jodenster af, onschuldig kijken, en dan heel ver weg lopen. Zijn koffertje met kleren hadden ze al maanden eerder bij de niet-joodse buren afgegeven.

Op zondagochtend 20 juni 1943 zet de politie de straten in Amsterdam-Oost af, alle joodse bewoners moeten zich gereed maken voor vertrek. Zonder afscheid te nemen vertrekt David met de hond Nora. Zijn moeder Rosa, zijn tweede vader Maurits Hamburg en zijn oudere zusje Josephine moeten in de tram naar station Muiderpoort.

Zoals afgesproken belt David 's avonds aan bij kennissen om te slapen. Het koffertje met kleren dat klaar zou staan is er nooit geweest, zegt de buurvrouw een dag later. Een paar dagen later wordt hij door het Amsterdamse verzet op de trein naar Mantgum in Friesland gezet. Daar was een familie gevonden die hem voor het weinige geld dat zijn ouders hadden gespaard, in huis wilde nemen. David krijgt een andere naam, Paul van Essen, en hij moet zeggen dat hij een oorlogswees is uit Rotterdam. Na mei 1945 kwamen er radioberichten, zegt David van Huiden nu, waarin de namen van overlevenden werden omgeroepen. Maar een half jaar na de bevrijding had hij de namen van zijn familie nog steeds niet gehoord. ,,De onderduikfamilie kon me niet langer houden. De vader was ernstig ziek, er was weinig ruimte.'' David moet terug naar Amsterdam. Hij staat al op de lijst van het kinderweeshuis, als een Duits-joods gezin zich meldt. ,,Zij wilden me wel hebben.'' Dat was gezellig voor hun zoon die een jaar jonger was dan hij. David is veertien jaar, en komt midden in het schooljaar terecht op het Amsterdams Lyceum.

Zonder medeweten van David proberen twee instanties in het levensonderhoud van het weesjongetje te voorzien. De directeur van de Commissie voor Oorlogspleegkinderen vraagt al in 1946 in een brief aan de pensioenraad of David een wezenpensioen kan krijgen. Zijn stiefvader Maurits Hamburg – Davids eigen vader was al voor zijn geboorte overleden – was jarenlang ambtenaar bij de gemeente Amsterdam. De directeur vraagt de pensioenraad om ,,een enigszins soepele toepassing der wet''. Maurits Hamburg is pas in 1938 getrouwd met Davids moeder, en heeft vier jaar en negen maanden voor hem kunnen zorgen. Om voor wezenpensioen in aanmerking te komen is vijf jaar zorg vereist. Maar, schrijft de directeur, de stiefvader is op 29 juni naar Sobibor gedeporteerd, en heeft daar misschien nog wel drie maanden geleefd. Een maand later schrijft de pensioenraad een brief terug. Zelfs al zou de stiefvader drie maanden later zijn overleden, dan nog heeft de pleegzoon geen recht op een uitkering. Want, stelt de raad, de stiefvader was een ontslagen ambtenaar en hij had dus geen pensioenrechten meer. Maurits Hamburg was in 1941 door de gemeente ontslagen. Net als alle andere joodse ambtenaren.

Een andere instantie, de Stichting Bewindvoering Afwezigen en onbeheerde Nalatenschappen, treedt op als zaakwaarnemer voor Van Huiden. De Nederlandse regering had in 1946 bij wet vastgelegd dat onterecht ontslagen ambtenaren hun baan terug konden krijgen. En als de ambtenaar was overleden, konden de nabestaanden aanspraak maken op het pensioen. Het verzoek tot rechtsherstel moest worden ingediend binnen honderdtwintig dagen na de inwerkingtreding van de wet. Davids zaakwaarnemer doet dat.

Toenmalig wethouder Franke bevestigt per brief dat Maurits Hamburg ,,een normaal geval is van een Joodse ambtenaar, waarop de wet van toepassing is''. Maar de wethouder wil eerst een overlijdensakte van de stiefvader zien. De stiefvader staat, net als alle andere overleden joden, geregistreerd als vermist. Voor vermiste personen kon geen akte worden opgemaakt, pas in 1949 werd de wet hiervoor aangepast.

De zaakwaarnemer probeert het nog een keer. Sobibor was een vernietigingskamp, gedeporteerden werden meteen na aankomst vergast. Dus schrijft hij: ,,De vermoedelijke datum van overlijden van de pleegvader en moeder is 30 juni 1943, zijnde een dag na de deportatie.'' Maar de gemeente wil ,,met het oog op de consequenties'' geen uitzondering maken.

Intussen ontvangt Davids zaakwaarnemer een rekening van de gemeente Amsterdam. Het ouderlijk huis in de Swammerdamstraat is direct na de deportatie van de familie dichtgemetseld en in de hongerwinter afgebroken. De rekening van 132 gulden en 88 cent voor het dichtmetselen wordt door de zaakwaarnemer betaald.

Pas in 1950 is de officiële overlijdensdatum bekend van Davids moeder, zijn stiefvader en zijn zusje. Ze zijn alledrie op 2 juli 1943 vergast, de twaalfde verjaardag van David. De overlijdensaktes worden direct opgemaakt. De gemeente wijst het verzoek om rechtsherstel weer af. David is een pleegkind en kan niet erven van zijn stiefvader. Alleen als blijkt dat zijn stiefvader eerder is overleden dan zijn moeder, is David erfgenaam. Een notaris schrijft de gemeente: ,,wie hunner het eerst is overleden kán men niet weten''. Aangenomen moet worden dat ze gelijktijdig zijn overleden, en dus is David erfgenaam. De gemeente Amsterdam verleent wederom geen rechtherstel. De wettelijke termijn van honderdtwintig dagen is overschreden.

En toen gebeurde er een hele tijd niets meer. Tot 1992, toen Van Huiden zijn dossier inzag, en schrok. ,,Er is vreemd met mijn belangen omgesprongen.'' In 1997 verzoekt hij burgemeester Patijn alsnog om rechtsherstel. Twee weken geleden heeft hij een brief ontvangen van de burgemeester, acht pagina's lang. Hij heeft er twee jaar op moeten wachten. Na uitgebreid juridisch onderzoek komt de burgemeester tot de volgende conclusie: De Wet Rechtsherstel Overheidspersoneel bestaat nog wel, maar daar kan Van Huiden geen beroep meer op doen. De termijn van honderdtwintig dagen is overschreden. ,,Het feit dat u inmiddels beschikt over de vereiste documenten verandert hier niets aan.''

En, schrijft de burgemeester, ook al had Van Huiden nog een beroep kunnen doen op die wet, dan nog is het de vraag of hij in aanmerking komt voor schadeloosstelling. Van Huiden is een stiefzoon, ,,niet in enige bloedverwantschap gerelateerd aan de heer Hamburg''. Hij krijgt niets.