Getormenteerd, maar niet somber

Slechts elf jaar scheidden de rol van componist Franz Liszt in de sentimentele Hollywood-biopic Song without End (1960) en die van de fictieve componist Gustav Aschenbach, onder de klanken van Mahler wegkwijnend bij de gedachte aan een onbereikbare knaap, in Dood in Venetië/Morte a Venezia (1971). De zaterdagavond in zijn huis in Londen op 78-jarige leeftijd aan een hartaanval overleden Engelse acteur Dirk Bogarde speelde beiden. De gangbare interpretatie van Bogarde's ruim zestig films omvattende carrière verklaart de vrij snelle transformatie van de door gillende meisjes achtervolgde jeune premier uit de Britse filmindustrie (`de Leonardo DiCaprio van zijn tijd', noemde regisseur Michael Winner hem gisteren) tot bedachtzame held van de Europese cinéma d'auteur, uit een of twee cruciale films aan het begin van de jaren zestig. In Victim (Basil Dearden, 1961) vertolkte de nooit getrouwde Bogarde een met zijn homoseksualiteit gechanteerde advocaat, tot ongenoegen van de fans, en in 1963 werd dit taboe-onderwerp verder uitgediept in The Servant, Joseph Losey's anatomie van de sadomasochistische machtsstrijd tussen dienstknecht Bogarde en de heimelijk op hem verliefde gentleman James Fox. Bogarde verbrak het lucratieve contract met de almachtige Rank-studio om meer films met Losey te maken (King and Country, Accident, het surrealistisch-modieuze Modesty Blaise) en de weg lag daarna open voor sleutelrollen in Visconti's The Damned/La caduta degli dei (1969) en Liliana Cavani's De nachtportier/Il portiere di notte (1973), respectievelijk verkenningen van het verband tussen de familie Krupp en de SA-orgieën en van de sadomasochistische aantrekkingskracht tussen een ex-nazibeul en zijn slachtoffer.

Wie echter de zeven autobiografische boeken, die de literair begaafde Bogarde sinds 1977 schreef (naast een vijftal fictieve romans), naspeurt op een relaas over die snelle persoonlijke emancipatie, zó uit de kast in de armen van de grote Europese filmregisseurs, komt bedrogen uit. De werkelijkheid is namelijk veel ingewikkelder. In de eerste plaats is Bogarde veel te discreet om zichzelf ooit openlijk als homoseksueel te definiëren: hij beschrijft ongelukkige vroege relaties met vrouwen, en celebreert de lange vriendschap met zijn persoonlijk secretaris en huisgenoot Tony Forwood, voor wie hij in 1986 een paradijselijk kluizenaarschap in een 15de-eeuwse boerderij bij het Zuid-Franse Grasse opgeeft, omdat Forwood ernstig ziek is en verpleging in een Londens ziekenhuis behoeft. Maar het is een daad van loyaliteit, van vriendschap, niet van liefde of huwelijkstrouw.

Ook de populaire films van het matinee-idool uit de jaren vijftig, die soms wel vier van die kassuccessen in een jaar draaide, lijken achteraf gecompliceerder dan destijds. De flirts zijn van voorbijgaande aard, belangrijker zijn de loyaliteitsconflicten in hechte mannengemeenschappen: de politie (The Blue Lamp, 1950), het leger (They Who Dare, 1953; The Sea Shall Not Have Them, 1954) en zelfs de medische ziekenhuisstaf met Bogarde als jonge arts in de immens succesvolle komedieserie die begon met Doctor in the House (1954). Altijd waren er al de duistere ondertonen van een getormenteerd gevoelsleven, van een geprangd gemoed en van een onvermogen tot persoonlijke vrijheid, maar vooral van de keuze daar niet mee te koop te lopen.

Derek Jules Gaspard Ulric Niven Van den Bogaerde werd geboren op 28 maart 1921 in de deftige bohème van Hampstead. Zijn vader was een kunstcriticus en fotoredacteur van de Londense Times, van Belgisch-Nederlandse afkomst, en zijn moeder een Schotse actrice. De jonge Dirk volgt acteerlessen aan the Royal College of Arts, werkt als souffleur en is in 1939 figurant in een muzikale klucht met George Formby. In de oorlog brengt hij het tot majoor bij de fotodienst van het Britse leger en is een van de bevrijders van Bergen-Belsen. Een naoorlogse theatercarrière begint moeizaam, ondanks de protectie door Noel Coward. Vanaf 1948 (Esther Waters) lijkt het in films wel te lukken en groeit de stille, bescheiden jongeman uit tot idool.

Bogarde beschreef het acteren als iets wat hij niet uit roeping deed. Ook na The Servant speelde hij nog vaak in films om den brode, zoals A Bridge Too Far, Le serpent en Permission to Kill. Zijn samenwerking met grote regisseurs als Alain Resnais (Providence, 1977) en Bertrand Tavernier (Bogarde's laatste film Daddy Nostalgie, 1990) verliep soms bevredigend, maar ook wel eens desastreus, zoals met Rainer Werner Fassbinder, die voor de verfilming van Nabokov Despair (1979) Bogarde hardhandig, maar vergeefs uit zijn schulp trachtte te trekken. Zichzelf blootgeven deed Bogarde liever zorgvuldig, in eigen bewoordingen en met de afstand van een literator. De in 1992 in de adelstand verheven Bogarde was niet somber, ondanks een ernstige beroerte in 1996 en de ziekte van Parkinson. De dag voor zijn dood bracht hij door in het gezelschap van Lauren Bacall, `a raucous and wonderful day', volgens een neef, die namens de familie Bogarde's dood bekendmaakte. Minister Glenda Jackson noemde hem gisteren `de eerste eigen Britse filmster', wat strikt genomen niet helemaal juist is. Wel personifieerde Bogarde bij uitstek Britse kwaliteiten, als elegantie, discretie, luciditeit en een vermoeden van perversie, dat zich slechts verraadt door een blik of een enkel woord. Misschien kwamen die kwaliteiten het best tot hun recht in Bogarde's beste Engelse films, en niet in de soms te expliciete films die hij op het Europese vasteland maakte. The Servant is in ieder geval subtieler dan The Damned, en misschien zelfs minder gedateerd.