Genieten van mislukkingen

Het lijkt het noodlot over jezelf afroepen: een tijdschrift beginnen dat bestemd is voor `verdwaalde expeditieleiders en ontspoorde dromers'. Een blad, om nog preciezer te zijn, dat een `welkome haven wil zijn voor bijdrages die verhalen van groots-groteske, grandioos mislukte expedities (–) ondernemingen kortom waarvan het glorieuze eindpunt nooit en te nimmer in zicht komt'. En dat dan In 't Schip noemen. Zo'n tijdschrift vraagt erom te mislukken, om met man en muis te vergaan zeg maar, maar toch heeft In 't Schip het zichzelf in dat opzicht lastig gemaakt. Het eerste nummer van het blad, dat `minimaal twee keer per jaar' moet verschijnen, ziet er prachtig uit, bevat een aantal aardige bijdragen en als er al een nadeel aan zit dan is het dat de redactie besloten lijkt te hebben strijdend ten onder te gaan – of beter, brallend, wat zich uit in een overmaat aan uitgesponnen taal die als een dikke deken over In 't Schip heenligt.

De overdaad aan maritieme beeldspraak (die varieert van vergelijkingen met gestrande potvissen tot verwijzingen naar flessenpost als een metafoor voor onverwachte ingezonden teksten) is nog een kleinigheid vergeleken bij de doelloze taalbarok waarvoor de redactie een voorkeur lijkt te hebben. Veelzeggend is in dat opzicht het verhaal Dooitje zoeken van hoofdredacteur Peter Drehman, waarin twee jongens naar de Parijse begraafplaats Père Lachaise reizen om demonstratief niet naar het graf van Jim Morrison op zoek te gaan, maar dat van Yves Montand van wie ze maar één nummer kennen. Helaas heeft een van deze twee Titaanjes dezelfde neiging als het blad waarin hij optreedt. Zo komt hij met een pseudo-lollige opsomming van synoniemen voor `sterven' van meer dan een halve pagina die begint met `kassiewijle zijn' en `een tuintje op je buik hebben' en wordt afgesloten met voor `Gods rechterstoel verschijnen' – maar nergens wordt het grappig en nergens wordt ook maar een hint gegeven naar de Dead parrot-sketch van Monty Python. Zijn gedrag wordt door zijn reisgenoot weliswaar geïroniseerd, maar de gretigheid waarmee Drehmans deze Ton Hasta zijn teksten in de mond legt, doet vermoeden dat de auteur die afkeer niet deelt.

Uit Drehmans' bijdrage blijkt bovendien nog een ander nadeel van de romantische doelstelling van In 't Schip: van ieder verhaal weet je aan het begin al hoe het afloopt. De bijdragen die zich weinig van de thematiek van In 't Schip aantrekken zijn het beste. Interessant is bijvoorbeeld het stuk van Bert Wiskie over het Hongaarse voetbalelftal dat in 1954 tegen alle verwachtingen in de WK-finale van Duitsland verloor. Wiskie is geen benadigd stilist, maar is zo goed op de hoogte van de feiten en achtergronden, onder andere van de rol die het voetbalelftal speelde in de verspreiding van de ideologie van het Hongaars communisme, dat het toch een goed stuk is geworden.

Ook aardig, want mooi terloops geschreven, is de bijdrage van een bijna anonieme auteur die optreedt onder het pseudoniem Géza en die verslag doet van zijn pogingen een documentaire te maken over de huwelijksrituelen bij de Roma. Na jaren van gerommel komt de documentaire er uiteindelijk, wordt zelfs goed onthaald, maar de hoofdrolspeler wordt op televisie herkend als dader van drie gewapende overvallen en een stel inbraken. Waarmee een mogelijk vervolg meteen afgeblazen kan worden.

De grote kracht van In 't Schip is echter de manier waarop tekst en beeld gecombineerd worden. Het blad bevat op zich al mooie beeldbijdragen, onder anderen van Olivia Ettema, Moritz Ebinger en Rein Jelle Terpstra. Maar bovenal is In 't Schip door Noortje Hoppe prachtig vormgegeven: gevarieerd en toch rustig. Ieder artikel heeft een ander lettertype gekregen en er wordt mooi met achtergronden gewerkt die goed bij de betreffende bijdragen passen. Als themanummer van een regulier tijdschrift zou In 't Schip gunstig zijn opgevallen – als doel op zich, een heel tijdschrift over mislukkingen, vraag ik me af of het genoeg adem heeft.

In 't Schip. Voorjaar 1999, 88 blz. Prijs ƒ22,50. Inl. over abonnementen etc. (030) 231 71 67.