Elke boom als zangpost in gebruik

Voorjaar 1999 laat een gematigd optimistisch geluid gehoren over de stand van de Nederlandse vogel. Niet met elke soort gaat het goed maar in weiden en bij plassen klinkt volop getsjuuk-tsjuuk, getjiftjaf en getwinkeleer.

Om zes uur 's ochtends is de zon nog niet op. Over de weilanden hangt een lichte nevel, bomen en struiken zijn schaduwen. Barry Teunissen, beheerder van vogelreservaat de Ackerdijkse Plassen, staat al vroeg buiten voor zijn huis. ,,Moet je horen, het porseleinhoen!'' Uit het riet, niet ver weg, klinkt een zacht tsjuuk-tsjuuk. ,,Hij is pas twee dagen terug uit Afrika en nog niet helemaal op dreef'', zegt Teunissen. ,,Pas na een week is hij echt bij stem.'' Het kleine, uiterst zeldzame waterhoentje roept opnieuw. Op de achtergrond raast het verkeer over de A13 van Rotterdam naar Delft.

De Ackerdijkse Plassen onder de rook van Rotterdam zijn eigendom van Vogelbescherming Nederland. Bij zonsopgang barst hier het vogelkoor veelstemmig los. Getjilp, getjiftjaf en getwinkeleer uit duizend kelen. Elke boom, ieder struikje is als zangpost in gebruik.

In de ochtendschemering kun je de zangertjes haast niet zien, maar horen des te beter. Winterkoning en fitis klinken met hun heldere liedjes boven alles uit. De merel zingt er langzaam en melodieus doorheen en daar tussendoor klinken andere stemmen, nu eens in de verte en dan weer vlakbij. Hans Peeters, medewerker van Vogelbescherming, staat van tijd tot tijd met gespitste oren stil. ,,Dat is de zwartkop, die hoge luide fluiter! En dààr in die vlierstruik moet een matkop zitten.'' Langzaam wordt het licht. De hemel kleurt rood, het vogelkoor wordt minder uitbundig en schakelt geleidelijk over op de geluiden van alledag.

We lopen door een oer-Hollands, bijna negentiende-eeuws landschap van drassige veenweiden en elzenbroekbosjes, rietmoerassen en open water. De Ackerdijkse Plassen zijn ontstaan bij het graven naar turf, die is opgestookt bij het bakken van Delftsblauw aardewerk. Nu krijst hier een aalscholverkolonie. De laatste jaren is die sterk uitgebreid. Honderden broedparen zitten luidruchtig op grote, rafelige nesten in ondergescheten, halfdode bomen aan de waterkant. Oudervogels vliegen af en aan, braken de vis op en vullen de hongerige snavels. ,,Echte oervogels'', vindt Hans Peeters. ,,Ze doen zo primitief aan, ze hebben zelfs nog schubben, net als de dinosauriërs.'' Aalscholvers hebben als enige vogels geen vetklieren om hun verenpak te onderhouden. Daarom zitten ze vaak zo uitvoerig te drogen. Primitief zijn ook hun zware botten, bij `moderne' vogels zijn die hol. Peeters: ,,Een aalscholver ligt bij het zwemmen veel dieper in het water dan bijvoorbeeld een zwaan. Ze beginnen al in februari met broeden. Eind april hebben ze al grote jongen, maar die zijn pas maanden later min of meer zelfstandig.''

Lepelaars broeden veel later. Twee jaar geleden hebben ze de Ackerdijkse Plassen ontdekt. Zij nestelen graag in de buurt van aalscholver- of reigerkolonies, kennelijk geeft dat een gevoel van veiligheid. Op deze vroege ochtend staan drie lepelaars bij elkaar, middenin een ondiepe plas, op één poot, kop diep in de veren. Als je ze daar zo in hun exotische witte verenpak in de Hollandse ochtendkou ziet kleumen, krijg je het er zelf koud van. Peeters: ,,Ze komen in februari aan. Vorig jaar zag ik er begin februari al eentje naast een wak op het ijs staan.'' Eind juni komen de jongen uit het ei en als het tijd wordt voor de terugreis naar Afrika lopen de jonge vogels soms nog bij hun ouders om voedsel te bedelen.

We soppen voort door de blubber. Het veenweidengebied bestaat uit een dunne korst, die op een bijna twintig meter diepe laag veenprut drijft. Peeters staat weer even stil en signaleert een merkwaardig ronkend geluidje. Dat is de snor, die zingt – nou ja, zingt – als een snorfiets. Verderop klinkt geknars en geknerp uit de rietkraag. ,,De rietzanger'', zegt Peeters. ,,Tien jaar geleden waren die nog talrijk, nu staan ze op de Rode Lijst van kwetsbare en met uitsterven bedreigde soorten. Gek genoeg weten we nog steeds niet waar de rietzanger 's winters heen trekt. Het moet ergens ten zuiden van de Sahara zijn. Mogelijk heeft hij problemen in zijn overwinteringsgebied en gaat de soort daarom zo sterk achteruit.''

Een hoopje afgekloven eendeveren verraadt de aanwezigheid van de havik, die zich de laatste jaren steeds meer naar West-Nederland uitbreidt. 's Winters vertoeft hier ook de slechtvalk en deze ochtend vertoont hij zich nog, een snelle, slankgewiekte, lichtgrijze verschijning, weggejaagd door panische scholeksters.

Er broeden bijna honderd soorten in de Ackerdijkse Plassen, tweemaal zoveel als toen het gebied in 1962 werd aangekocht. Nog honderd andere soorten bezoeken het gebied zonder er te broeden. Tot de `kostbaarste' behoort de kemphaan, met dertien broedparen. Peeters: ,,De kemphaan is in Nederland zo zeldzaam geworden, dat de Ackerdijkse Plassen met die dertien paartjes een substantieel deel van de Nederlandse populatie in huis hebben. Om die reden wil men het binnenkort aanwijzen als beschermd vogelgebied onder de Europese Vogelrichtlijn.'' Gezien de druk vanuit de omringende Randstad geen overbodige luxe. Er wordt gesproken over verbreding van de Rijksweg A13 van Rotterdam naar Delft, de spoorwegen hebben uitbreidingsplannen en Rotterdam Airport ligt vlakbij.

Tijd om de balans op te maken. Hoe gaat het met de Nederlandse vogels? ,,Dat is een onmogelijk vraag'', vindt bioloog Frank Saris. ,,Je hebt groepen die het goed doen, zoals de roofvogels, maar ook groepen die het slecht doen, zoals de weidevogels. Er zijn nieuwkomers zoals de nijlgans, maar er dreigen ook soorten uit te sterven, zoals de roerdomp, het woudaapje en de ortolaan. Als je dan de balans opmaakt, kun je door al die stijgende en dalende aantallen ongeveer een rechte lijn trekken: Het aantal soorten is stabiel. Maar daar is weinig mee gezegd.''

Saris is sinds twaalf jaar directeur van de particuliere Samenwerkende Organisaties voor Vogelonderzoek in Nederland (SOVON). Zo'n vijfduizend vrijwilligers lopen als lid van SOVON regelmatig hun vaste rondjes door bossen of velden en tellen in alle vroegte de vogels, zodat een landelijk beeld ontstaat. Dankzij al die jarenlange tellingen weten we nu dat de aalscholverstand in ons land is toegenomen van zo'n 3.500 broedparen in 1950 naar ruim 17.000 nu. (De cijfers zijn actueler dan die in bijstaande grafiek). De kuifeend, een nieuwkomer, groeide in diezelfde tijd van ruim 100 naar 10.000 broedparen en de Turkse tortel van bijna niets naar 100.000 broedparen. De havik nam toe van 400 naar 2.000 paren, en de bonte vliegenvanger van 1.000 naar 20.000 paren.

Tegenover die winnaars staan de verliezers. Van de 150.000 paren grutto's (1950) zijn er nog 90.000 over. De veldleeuwerikenstand nam in diezelfde tijd af van 700.000 naar 120.000 broedparen. De zwarte stern ging van 15.000 naar 1.000 broedparen, de kerkuil van 3.000 naar 1.000. Het korhoen zakte van 1.500 naar 40 broedparen, de grauwe kiekendief van 300 naar 30 broedparen. Over het algemeen geldt dat `kieskeurige' vogels met een specialistische levenswijze het hardst achteruit gaan, terwijl het de generalisten en `veelvraten' zoals kraaien en meeuwen juist goed gaat.

We staan in het Haagsche Bos, hartje binnenstad, aan de snelweg, twee minuten van het Centraal Station. ,,Stadspark, eerste bezoek'', noteert Saris in zijn opschrijfboekje. Pal achter ons schettert een winterkoning, te noteren als WK. M staat voor de merel rechts. Hoge heldere tonen verraden de zwartkop. Links zitten kauwtjes in de hoge bomen te kekkeren en recht tegenover ons zingt de nachtegaal ongekend luid en uitbundig zijn veelzijdige liederenrepertoire. ,,Daarmee vult hij ook 's nachts, als de andere vogels slapen, in zijn eentje het hele bos'', zegt Frank Saris. Binnen de kortste keren heeft hij een stuk of zeven verschillende vogelsoorten op het kaartje ingetekend. ,,Dat lijkt al heel wat, maar als je hier bij zonsopgang terugkomt, is het pas echt een kolereherrie! Die winterkoning vlak achter ons is de kleinste zangvogel, maar hij maakt de meeste herrie van allemaal. Je hoort er nu drie en als je dat eenmaal weet, moet je je voor dat geluid zien af te sluiten om de rest van de vogels te horen.''

Veel vogels zorgen voor extra afwisseling door andere soorten te imiteren. Spreeuwen zijn daar ware meesters in. Saris: ,,Als de wielewaal in het voorjaar weer terugkomt, hoor je dat aan de spreeuwen. Zij hebben dat gejodel onderweg al opgepikt en doen het zo mooi na, dat ik er regelmatig invlieg.''

Om een goed beeld te krijgen, moet je vogels tellen in het voorjaar, tussen een uur voor zonsopkomst en twee uur na zonsopkomst, en ten minste acht- tot tienmaal terugkomen. De veldwaarnemingen worden thuis opgesplitst in territoriumkaartjes per soort. Daarbij moet je bijvoorbeeld weten dat de tjiftjaf, een trekvogel, na zijn terugkeer in maart eerst overal in het bos zingt. Pas vanaf half april strijkt hij neer op een vaste plek. Pas dan mag je zijn territorium intekenen.

Saris: ,,Uit ervaring weet je exact hoe luid elke soort zingt en daaruit leid je de afstand af. Die zwartkop met zijn hele hoge, heldere tonen zit ongeveer twintig meter hier vandaan. Die nachtegaal moet een heel eind verder weg zijn, want die zingt nu eenmaal veel luider.'' Op deze manier zijn elk voorjaar vijfduizend vrijwilligers voor SOVON in touw. Daaruit valt bijvoorbeeld de trend van de winterkoning in bossen te bepalen en zo weet men dat deze soort het na enkele strenge winters weer goed doet.

Het tellen van echt grote aantallen vogels vraagt aparte technieken. Saris: ,,Op een winterdag kunnen tienduizenden ganzen in een terrein zitten. Toch kun je dat tamelijk nauwkeurig bepalen, met een foutenmarge van hooguit vijf à tien procent, en een telescoop. Je telt eerst een klein groepje van bijvoorbeeld driehonderd beesten heel nauwkeurig en vervolgens vermenigvuldig je die oppervlakte. Met een telescoop kun je vanuit de auto heel nauwkeurig tellen zonder de dieren te verstoren.''

De aantallen vogels zijn ook in kilo's uit te drukken. Hiervoor kreeg SOVON een opdracht van de Koninklijke Luchtmacht. Saris: ,,Als er een vogel in de turbine van een F16 komt, kan die een crash maken. Daarbij kunnen doden vallen, en elke neegestorte F16 is een schadepost van twintig miljoen. Daarom heeft de luchtmacht belang bij een goed, actueel waarschuwingssysteem dat steeds meet hoeveel vogels er in de lucht zijn en waar.''

Als eerste stap zijn de SOVON-gegevens van de ganzen in heel Nederland per `atlasblok' van 5 x 5 kilometer per maand en per luchtlaag uitgedrukt in kilo's gans. Zo ontstond een `kilokaart', die vooral in het kustgebied en op de grote wateren druk bezet is. Een volgende stap is het model dynamisch te maken, zodat de piloot kan zien wanneer hij verder de zee op moet of juist meer landinwaarts om ontmoetingen met groepen ganzen op trek te verkleinen. Saris: ,,Een volgende stap zou het kwalificeren van die kilo's kunnen zijn, bijvoorbeeld of ze gevaarlijk zijn en of het om Rode-Lijstsoorten gaat. Maar dat is een stuk lastiger.''

Het tellen mag dan lastig lijken, het interpreteren van de cijfers is nog veel ingewikkelder. Neem bijvoorbeeld de nachtegaal. In de loofbossen aan de binnenduinrand gaat hij de laatste twintig jaar vooruit, maar verder naar het oosten, in het boerenland waar hij traditioneel thuishoort, is hij in diezelfde tijd sterk achteruit gegaan. Saris: ,,Dat is het bekende verhaal. Intensivering van de landbouw, monotonie van het landschap, bestrijdingsmiddelengebruik en verdroging van het landschap, waardoor ook de insecten waarvan de nachtegaal leeft verdwijnen. Gebrek aan broedgelegenheid is het probleem niet – in elk rommelhoekje of bramenbosje kan de nachtegaal terecht. Zet je de stijgende lijn in de duinen en de dalende lijn in Oost-Nederland tegen elkaar af, dan heet de nachtegaal in Nederland `stabiel', maar eigenlijk zegt dat niet zo veel.''

Uitgesproken succesvol waren in elk geval de ganzen. Door betere bescherming en beperking van de jacht hebben ze zich spectaculair hersteld. Ook verschillende soorten meeuwen is het heel goed vergaan, al zijn sommige daarvan nu weer op hun retour. Over het algemeen horen de soorten die voorheen sterk werden bejaagd of vervolgd nu tot de winnaars. Ook de roofvogels, zoals buizerd en havik, profiteren van hun wettelijk beschermde status. Ook bosvogels zitten in de plus, alleen al omdat er meer en soortenrijker bos is gekomen. Tuinvogels doen het eveneens goed.

Maar vrijwel alle soorten van het boerenland zijn hard achteruitgegaan, net als de meeste moerasvogels en de weidevogels. In intensief beheerd boerenland blijft voor hen steeds minder levensruimte over. Toch ziet Saris nog wel hoop voor de weidevogels. ,,We hebben net een onderzoekje afgerond naar de effecten van weidevogelbescherming. Daar waar vrijwilligers nestbeschermers plaatsen, komen er aantoonbaar meer kuikens uit. Dus weidevogelbescherming helpt wel degelijk en steeds meer boeren willen er aan meedoen. Of er ook meer kuikens opgroeien is een andere vraag.''

Diverse instanties, waaronder het Natuurplanbureau van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu in Bilt-

hoven, zijn druk bezig indexen te ontwerpen voor de toestand van de Nederlandse natuur. Saris: ,,Beleidsmakers willen die enorme databrij heel graag hanteerbaar maken. Maar daarbij worden allerlei politieke keuzes gemaakt. Cruciaal is bijvoorbeeld welk referentiejaar je kiest. In 1990 was de Nederlandse natuur op een dieptepunt. Kies je dat als uitgangspunt, dan gaat het nu stukken beter met de natuur. Maar vergelijk je het met de toestand uit 1950, dan ontstaat een veel somberder beeld. En vergeleken met het jaar 1900 staat onze natuur er zelfs absoluut dramatisch voor. Maar dat willen ambtenaren natuurlijk niet horen, want bewindslieden houden niet van huil- en jammerverhalen. De overheid wil onze cijfers heel graag hebben, en ze vervolgens liefst zelf interpreteren. Maar daarmee kunnen de conclusies over die cijfers gaan verschillen van de wijze waarop wij het zouden samenvatten. De discussie over hoe je natuur- en milieucijfers moet interpreteren is heel actueel.''