Doden die we niet gekend hebben

,,Als gebouwen en kunstschatten vernietigd worden, is dat toch erger dan als er mensen doodgaan'', zei laatst iemand in een gesprek over wat allemaal kapotgaat in de oorlog in Joegoslavië. Dat klonk wat bruusk en ze kreeg ook niet meteen algemene bijval. Toch is van die uitspraak wel iets te begrijpen, geredeneerd vanuit een ander, groter, tijdsperspectief. Van allerlei gebouwen en kunstwerken van lang geleden zijn we blij, dankbaar zelfs, dat ze nog bestaan: de piramides, de Akropolis, cycladische beeldjes, Venetië, de Borobudur, de Chinese muur, het colosseum, de David van Michelangelo, de plafondschilderingen in de Sixtijnse kapel, de zeventiende-eeuwse grachtenhuizen in Amsterdam, Rembrandts `Joodse bruidje' – ach het is een eindeloze lijst van dingen en gebouwen die de eeuwen overleefd hebben. Van geschiedenis die nu zomaar in ons heden aanwezig is. En hoe ouder de gebouwen of de kunstwerken zijn, hoe minder het ertoe doet dat ze oorlogen hebben doorstaan waarin mensen gestorven zijn – ze zijn niet meer in concurrentie met die mensen. Die waren nu toch wel dood geweest, hoe dan ook, maar gelukkig hebben wij de grachten nog. Het voegt zelfs iets toe aan de dingen die het overleefd hebben, ze dragen sporen van mensen en dat maakt ze doorleefd, zonder dat we nog tranen storten om de verdwenen eigenaren of makers.

Is het voor Rotterdam of voor Dresden al lang genoeg geleden om het erger te vinden dat de stad weg is dan dat de mensen die erin woonden er niet meer zijn? Misschien al wel, of bijna. Het is moeilijk treuren om gestorvenen van lang geleden, terwijl het niet moeilijk is om je te verheugen in wat er nog is.

Een paar jaar geleden was ik in Heidelberg en liep door de tuinen van het kasteel – daar heeft Goethe ook gelopen. Meer dan enige museaal geworden werkkamer ontroerde me dat: door deze zelfde tuin, op net zo'n mooie dag in april liep Goethe, hij zag datzelfde bordes, hij hoorde ook de vogels, hij snoof de voorjaarslucht op. Hij bestond, hij was vanzelfsprekend in leven. Wat een geluk dat Heidelberg nog bestaat.

Maar in het heden, ten overstaan van levende mensen, is het onmogelijk en amoreel te denken: `beter hij dood dan die brug kapot'. Al merk je soms wel dat de verwoesting van een brug die het van de middeleeuwen tot nu gehouden heeft, de algemene opinie sterker aanspreekt dan dat daarbij ook enkele mensen omgekomen zijn. Niemand zou voor die mening willen gaan staan, en toch is het een gevoel dat bijna iedereen kent: `wat vreselijk zonde van die brug'. En dat gevoel blijft, langer dan de afschuw om de onbekende doden. En op de langere duur verdwijnt de spijt om de doden zelfs en wint die brug het.

Wat zijn doden dan eigenlijk. Wat betekent `herdenken', als het al zo moeilijk is stil te staan bij de doden die gisteren vielen of vandaag. Doden zonder namen kun je bijna niet herdenken.

Tijdens de dodenherdenking van vorige week, die dit jaar drukker bezocht leek dan andere jaren, ongetwijfeld vanwege de oorlog die zo dichtbij woedt, stonden veel mensen op plekken waar iets gebeurd is. Hoe minder veranderd die plekken zijn, hoe beter het herdenken gaat. Weliswaar zijn de mensen weg, en weliswaar heb je ze niet gekend, maar je kent hun lot en je kunt denken: hier hebben zij ook gestaan, dit licht over de laan kenden zij ook, ze wisten hoe de vogels zingen in de avondstilte, ook zij hebben ondervonden hoe een mensenmenigte kan zwijgen, hier of ergens anders. En soms is er iemand die hun namen noemt, en hun beroepen. Dan hebben ze even weer echt bestaan, meer dan wanneer ze een naamloze massa zijn.

Onze herdenkkracht is misschien niet zo groot. En misschien geven we ook niet eens zo heel erg om mensen in het algemeen, maar altijd vooral om de paar die we kennen, persoonlijk of van naam. Of zelfs alleen maar van verhaal: het is makkelijker te huilen om Anna Karenina dan om een willekeurige Kosovaarse, want we weten niets van haar en van Anna zo veel. Iedereen doet voortdurend machteloze pogingen tot inleving en als het steeds weer maar matig lukt dan verflauwt de interesse.

In een brug, een kerk of een bibliotheek hoef je je niet in te leven, die steekt kapot omhoog en vertegenwoordigt daarmee de zinloosheid van alle vernieling. Die vertelt voortdurend van wat er gebeurd is, die lijkt minder verdwenen omdat de leegte die hij achterlaat zichtbaarder is. Zolang er tenminste niet iets anders overheen gebouwd wordt. En zelfs dan: heel Rotterdam spreekt nog altijd van verwoesting, zoals alle Duitse steden ook, juist door het totale gebrek aan geschiedenis.

Vrienden kun je herdenken, die kun je op een onbeholpen manier nog een poosje in leven houden. De anderen niet. De anderen lijken het af te leggen tegen voorwerpen, gebouwen en kunstwerken, die vervolgens op hun beurt de mensen weer in leven houden. Er is een ontroerende scène in Trojaanse vrouwen van Euripides, waarin Hekabe, na de val van Troje, tot het schild van de tijdens de oorlog verslagen Hektor spreekt: ,,Heerlijk, die afdruk die hier in je draagriem staat, en in de mooie ronde rand van wilgenhout het zweet dat dikwijls van z'n voorhoofd droop, als Hektor zwoegde en jou tegen zijn kin aan zette.'' Het schild is letterlijk een `tastbare herinnering', het is aangeraakt door de handen die er nu niet meer zijn, het heeft zweet opgevangen van het voorhoofd dat niet meer aan te raken is, het beschermde een leven dat nu desondanks verdwenen is. Het is misschien ook daarom dat we het zo belangrijk vinden dat dingen gespaard blijven. Omdat we weten dat de doden niet weer opstaan en dat we ze nooit meer de hand zullen kunnen drukken of hun stem zullen kunnen horen. Maar de stoel waarin iemand altijd heeft gezeten, de kale plek die hij in het vloerkleed heeft uitgesleten, zijn uitzicht uit het raam, dat alles spreekt nog van hem.

J. Bernlef schreef in het gedicht `Meer in dingen dan in mensen': ,,Omdat de dood in mensen huist/ de buitenkant van dingen is/ kan ik alleen in dingen leven zien// Hun stug en tegendraads bestaan/ hun onverminderd staren in het zicht/ van de mij toegemeten jaren.''

Voorwerpen en kunstwerken spreken ook van doden die we niet gekend hebben. De karrensporen in de straten van Pompeji, het middeleeuwse manuscript waaraan zichtbaar verschillende handen gewerkt hebben, de borden die ooit op een feestelijk gedekte tafel stonden in een tijd die wij achteraf de Gouden Eeuw zijn gaan noemen, die zeggen allemaal: er was hier leven, er is om ons heen bestaan, wij zijn aangeraakt, wij zijn vastgehouden. Elk ding dat verwoest wordt, elk gebouw, elke icoon verwoest in zekere zin nog meer mensenlevens, het wist ze nog vollediger uit.

Elenya (Steve Gough, 1992, Engeland/Duitsland). In de serie 'Das Kleine Fernsehspiel' geproduceerd drama over vrouw die terugkeert naar haar geboortedorp waar ze als meisje een Duitse piloot verborgen hield. ZDF, 0.30-1.50u., nagesynchroniseerd.