`Chicago' is vrolijk, venijnig, verdorven vertier

,,Welkom, dames en heren,'' roept de ceremoniemeesteres die de eerste woorden van de musical Chicago spreekt, ,,we presenteren u een verhaal van moord, hebzucht, corruptie, geweld, misbruik, overspel en verraad – kortom, alles wat ons zo dierbaar is.''

Daarmee is meteen de toon gezet van de Amerikaanse successhow waarvan gisteravond een Nederlandse versie in première ging: hier wordt, vrolijk en venijnig tegelijk, gevierd hoe makkelijk uitgekookte advocaten en manipulatieve meisjes in het Chicago van de jaren twintig de media en het recht naar hun hand konden zetten. De meisjes in het op een ware geschiedenis gebaseerde verhaal zijn moordenaressen, maar worden sterren omdat ze de publiciteit rondom hun processen maximaal weten uit te buiten. De misdaad wordt beloond.

Fred Ebb, John Kander en Bob Fosse, ook de makers van Cabaret, hebben hun uit 1975 daterende Chicago de vorm gegeven van een nachtclubshow. De scènes zijn nummers en worden af en toe ook als zodanig aangekondigd. In de nieuwe versie, die sinds 1996 een kassucces op Broadway is en sinds 1997 een hit in Londen, is de variété-metafoor nog verder doorgetrokken: een veertienkoppige jazz-band zit in een oplichtende lijst die centraal op het podium staat. De spelers benen, dwarrelen en dansen daar omheen. Iedereen is in het zwart; bustières en hoge, zwartgekousde benen voor de danseressen, strakke tenuetjes en losse vesten op bloot bovenlijf voor de dansers. Verkledingen of changementen komen in de show niet voor. Scherpgesneden lichtbundels suggereren een gevangenis of een rechtszaal, dialogen worden gespeeld alsof het revue-sketches zijn.

Zelden werd in de musical-historie een productie gemaakt, waarin muziek, dans, zang en spel zo'n eenheid vormen. In de meeste scènes wordt het verhaal door alle vier tegelijk verteld. De choreografie van Ann Reinking, gebaseerd op de originele scenografie van wijlen Bob Fosse, vergt van alle spelers een verbluffend lijfelijke inzet. Ieder gebaar heeft een functie. Fosse was de man van de verhalende dans, die de intrige samenbalt en steeds een daverende schop vooruit geeft. De heupen en het bekken maakte hij tot uitroeptekens, de armen en de handen tot komma's en punten. En de voeten zette hij stevig op de grond; de Fosse-danser is geen zwevend schepseltje, de Fosse-danser heeft een pronte kont en krachtige kuiten die zeggen waar het op staat.

Daarbij schreef John Kander muziek die de roarin' twenties doet herleven en de hele avond als een stomende pan vol scherpgekruid brouwsel op het vuur blijft staan. Vinnige, schelle klanken zijn het veelal, zoals ze destijds werden gespeeld in de met potpalmen versierde danszalen van Chicago, toen de gangsters met hun liefjes de beste klanten waren. All that jazz is het bekendste nummer uit de show, ook door de autobiografische film die Bob Fosse in 1979 maakte. Het bruist en tintelt, het wekt spanning op, het trekt en het duwt, en het swingt onbedaarlijk.

Contractueel mogen van Chicago nog geen reisproducties worden gemaakt; die gelden in Amerika als voorstellingen van een minder allooi dan de producties die, bijvoorbeeld op Broadway, in principe eindeloos in hetzelfde theater blijven staan. Voor de Nederlandse versie huurde producent Joop van den Ende de saaie congreszaal van de Jaarbeurs in Utrecht en gaf architect Arno Meijs, die eerder het Circustheater in Scheveningen tot een glanzend musical-paleis maakte, opdracht tot een rigoreuze aanpassing. De indeling van foyer en zaal zijn niet veranderd, maar de dofgrijze hal is nu een spiegelend lustoord en het zakelijke blauw van de stoelen werd vervangen door theaterrood. Hier zal Chicago net zo lang blijven tot er niet genoeg publiek meer komt. Naast het theater verrezen voorts een bijpassende bar en een restaurant dat meer zin voor show uitstraalt dan de wegrestaurant-achtige Boekanier van voorheen.

In die ambiance stond regisseur Scott Faris voor de taak een getrouwe kopie te maken van de door Walter Bobbie ontworpen Broadway-enscenering, met Pia Douwes en Simone Kleinsma in de beide hoofdrollen, een puntige vertaling van Seth Gaaikema, en een ensemble dat met verve en aanstekelijke energie de venijnige, verdorven Chicago-sfeer waarmaakt.

Hoerig en hitsig moeten de dansers zijn, en dat zijn ze, met heel hun hebben en houwen. Minstens zo vakkundig werpen de twee hoofdrolspeelsters zich in deze wirwar van armen, benen en opengesperde strotten. Ze zijn expressief tot in hun tenen. Van mij zouden ze hooguit nog scheller en cynischer mogen zijn, meer de harde bitch en minder het kwetsbare meisje – dat zal ongetwijfeld achter hun façade schuilen, maar ik hoef het niet zo vaak te zien. Door die zachtheid in hun spel gaat bovendien iets verloren van de rivaliteit, niet alleen tussen hun personages Roxy en Velma, maar ook tussen de twee vedetten die de hoofdrol in Chicago moeten delen.

Naast hen speelt Stanley Burleson de berekenende advocaat soepel uit de flank, en met alle flair van de versierder die hij moet zijn, maar naar mijn gevoel net niet doortrapt genoeg geacteerd om hem geloofwaardig te maken als de onoverwinnelijke prijsvechter. Serge Henri-Valcke legt eer in met een mooi uitgewogen rolletje als de goedgelovige goeierd die Roxy's bedrogen echtgenoot is, terwijl Marjolein Touw de gevangenisdirectrice raak neerzet als een corrupte matrone met een poeslief glimlachje. De sleutelwoorden van de show (,,alles is ordinair, de hele wereld is ordinair'') klinken uit haar mond niet als een aanklacht, maar als een onweerlegbaar feit.

En het orkest, met dirigent René op den Camp in een verrassend uitbundige rol, maakt de afgemeten syncopen tot de frenetieke hartslag van de show.

Voorstelling: Chicago, musical van Fred Ebb, John Kander en Bob Fosse, door Joop van den Ende Theaterproducties. Spelers: Pia Douwes, Simone Kleinsma, Stanley Burleson, Serge-Henri Valcke, Marjolein Touw, e.a. Vertaling: Seth Gaaikema. Orkest o.l.v. René op den Camp. Choreografie: Ann Reinking. Regie: Scott Faris. Gezien: 9/5 Beatrix-theater, Utrecht. Inl. (0900) 3005000.