Abbado, Haitink voor coöperatief Berlijns orkest

Dat Anton Bruckner zijn laatste, Negende symfonie opdroeg aan `de lieve God' hoor je in een goede uitvoering ook zonder voorkennis. In zijn zwanenzang overtrof Bruckner zich in vorm en geladenheid, en juist die elementen kenmerkten de overdonderende uitvoering die Claudio Abbado zaterdagavond tijdens het `Weekend met het Berliner Philharmonisches Orchester' in het Amsterdamse Concertgebouw dirigeerde.

In 2002 zal Abbado afscheid nemen als chefdirigent van de Berliner Philharmoniker omdat hij 'meer wil lezen, zeilen en skiën' - een detail dat gerust buiten vermelding had mogen blijven als het in positieve zin niet zo typerend was voor de manier waarop Abbado Bruckner benaderde.

Onder Abbado regeerden menselijkheid en zuivere muzikaliteit. Dat bleek uit het gedragen genomen eerste deel (maar liefst zeven minuten trager dan Karajan in 1966), uit het overdonderde Scherzo, dat hier excessief voortbeukte met even veel ontzag als ontzagwekkendheid. Ook de spanning in het Adagio werd onder Abbado's vloeiende linkerhand en zacht-trillend hoofd tergend opgepookt, subtiel culminerend in de langverwachte uitbarsting op maat 203.

De kracht van Abbado's uit het hoofd gedirigeerde visie schuilde ook in de manier waarop werd toegewerkt naar de muzikale knooppunten van de partituur. Versnellingen en vertragingen markeerden de aanzetten naar de drie thema's in het eerste deel, en na de korte generale pauzes in het Adagio werkte de lange fermate na de slotclimax extra adembenemend. Daarna leek elk vierde deel ondenkbaar, en werd het feit dat Bruckner zijn laatste werk nooit voltooide volstrekt irrelevant.

De Berliner muntten ondanks de monsterbezetting die Bruckner vereist uit in detailrijk spel. Warme strijkers, vitale soli van de houtblazers en nergens al te overheersend koper kenmerkten ook de excellente uitvoering van Mozarts Concert voor fluit, harp en orkest dat klonk als wel zeer luchtige opmaat voor Bruckner.

Gisteravond typeerde eenzelfde betrokkenheid de samenwerking van de Berliner Philharmoniker met Bernard Haitink, die zijn Carte Blanche-serie bij het Concertgebouw voortzette met een radicale visie op de Vierde symfonie van Gustav Mahler en met Les Illuminations van Benjamin Britten, een kleinschalig werk voor sopraan of tenor en strijkorkest.

Op de vocale kwaliteiten van sopraan Inger Dam-Jensen viel in Les Illuminations weinig af te dingen. Zij bracht de grillige partijen waarin Britten negen gedichten van Arthur Rimbaud toonzette bovendien met gevoel voor de tekst, maar ging voorbij aan de ritmische contrasten die Britten in de delen Antique en Being beauteous plaatste tussen de stem en de begeleiding. Waar bij de uitvoering die Benjamin Britten zelf opnam met tenor Peter Pears ongepolijste spontaniteit prevaleerde boven klankschoonheid, was bij Haitink en Dam-Jensen het tegenovergestelde het geval.

Haitinks visie op Mahlers Vierde symfonie opende met nobele rust, maar ontwikkelde zich in een uitvoering die er geen twijfel over liet dat chaotische, dissonante en schrille elementen hier rust en orde overheersten. Al het eerste deel klonk uiterst ongewoon door het grotesk luide koper en de manier waarop de houtblazers uit het orkestrale weefsel werden gelicht. Mahlers sinistere kant won het ook in het tweede deel, waar schurende tegenstemmen werden benadrukt. Pas in het vierde deel Das Himmlische Leben heroverde Inger Dam-Jensen fraai meekleurend met het orkest de serene rust. Maar in de herinnering zal deze uitvoering nagonzen als enerverend voorbeeld van Haitinks gerijpte visie op Mahlers Vierde symfonie, een visie waarin oppervlakte-frivoliteiten het afleggen tegen een onthutsende en verrassend modern aandoende onrust.

Berliner Philharmoniker o.l.v. Claudio Abbado. Mozart, Concert voor fluit, harp en orkest. Bruckner, Negende symfonie. Gehoord: 8/5 Concertgebouw Amsterdam.

Berliner Philharmoniker o.l.v. Bernard Haitink m.m.v. Inger Dam-Jensen. Mahler, Vierde symfonie. Britten, Les Illuminations. Gehoord: 9/5 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 16/5 14 uur.