Vingervlug snijwerk

Biomechanicus dr. J. Leijnse ontwikkelde een methode om handuitval van musici te verhelpen. Hij was zijn eigen proefpersoon.

JORIS LEIJNSE was begin jaren zeventig een veelbelovende jonge violist. Via het Lemmensinstituut in Leuven, een combinatie van middelbare school en muziekvooropleiding, werd hij in 1974 toegelaten op het conservatorium van Brussel. Pijnloos krachtverlies in de vingers van de linkerhand, dwongen hem na twee jaar te stoppen met de viool.

De kunstacademie werd zijn tweede opleiding. Leijnse: ``Voor ik naar het conservatorium ging waren muziek en beeldende kunst gelijke opties.'' Maar etsen en houtsnijden zorgden opnieuw voor problemen, ditmaal met de rechterhand. In 1978 gaf hij ook die studie op. Tegenwoordig zouden Leijnses klachten onder RSI worden gerangschikt.

De tekenopleiding zette Leijnse wel op het spoor naar de oorzaak van zijn handproblemen en zijn academische loopbaan: ``Ik bestudeerde uitvoerig de anatomische tekeningen van de Renaissance-meesters. Daarna richtte ik me op de anatomische tekeningen van de geneeskunde-opleidingen. Daar vond ik wat er met mijn eigen handen mis zou kunnen zijn.''

De bouw van de hand verschilt van persoon tot persoon en kent een grote, kennelijk aangeboren variatie. De pezen die de vingers buigen en strekken lopen door de hand naar spieren in de onderarmen. Bij vrijwel iedereen zijn die pezen in de dwarsrichting door peesachtige verbindingen gekoppeld. Bij de strekkers van de vingers hebben deze zelfs een naam: juncturae tendini. Deze verbindingen, en spiertjes in de hand de kootjes bewegen, zijn boosdoeners waardoor musici tegen de grenzen van hun technische mogelijkheden oplopen.

toucher

De meeste mensen kunnen hun gestrekte vingers redelijk onafhankelijk bewegen. Veel moeilijker wordt het als de vingers moeten buigen en de kootjes kracht moeten zetten. Het zachte toucher van een pianist is een door kootjes perfect uitgevoerde aanslag van de toetsen. Een gitarist tokkelt met duizenden subtiele bewegingen van zijn vingerkootjes. Violisten dansen met de vingerkootjes van hun linkerhand over de snaren. Geen beroep stelt zulke eisen aan de onafhankelijke bewegingen van de vingers als dat van de musicus.

``Ik ben onmiddellijk op zoek gegaan naar een handchirurg om de extreme beperkingen uit mijn handen te laten halen. Door een gelukkig toeval kwam ik bij een uitermate consciëntieuze in de handchirurgie gespecialiseerde orthopeed in het Gentse. Wat ik wilde was in de chirurgische literatuur vrijwel niet beschreven en slechts na lang nadenken is hij op mijn verzoek ingegaan. Zoals vaak in de wetenschap bleek de zaak ingewikkelder dan verwacht. Maar in de loop van de jaren kwam een, van op afstand bekeken, vreemde samenwerking tot stand waarbij ik functiebeperkende anatomische variaties opspoorde die dan door de chirurg vakkundig werden gecorrigeerd.''

Leijnse zelf was in 1978, kort voor de eerste operaties, technische wiskunde gaan studeren in Leuven. De handproblemen doken spoedig weer op. Schrijfkramp ditmaal. ``Dit was de derde carrière die er aan ging. Ik raakte nog vaster besloten mijn handproblemen uit de wereld te helpen. Ik wilde tenminste een bruikbare rechter werkhand. Alle correcties die ik ontwierp werden eerst op mijn linkerhand toegepast. Na een of twee jaar succesvol revalideren volgde dan de operatie voor gelijksoortige klachten rechts. Ik zag echter ook de mogelijke toepassingen voor musici. Door het vioolspel, het tekenen, de anatomie, de wiskunde en mijn eigen revalidatie werd ik op een natuurlijke manier een soort multidisciplinaire specialist in de handbiomechanica.''

In die niche heeft Leijnse zich langzaam maar zeker genesteld. In 1990 kreeg hij, gesteund door de Leidse emeritus-hoogleraar anatomie dr. J.M.F. Landsmeer, van het toenmalig hoofd van de afdeling plastische chirurgie van het Rotterdamse Dijkzigtziekenhuis prof.dr. J.C.H. van der Meulen en biomechanicahoogleraar prof.dr.ir. C.J. Snijderseen een bureau en carte blanche. Na anderhalf jaar werd Leijnse staflid. Toen is de samenwerking gestart met hand- en microchirurg G.J. Sonneveld die de behandeling van musicihanden inmiddels van Van der Meulen had overgenomen en de basis voor de handkliniek voor musici had gelegd. Leijnse en Sonneveld brachten vele uren door op de afdeling anatomie waar ze aan anatomische preparaten de structuur en mechanica van handen onderzochten. Voor Leijnse ligt daar nog steeds het zwaartepunt van het onderzoek op het gebied van de experimentele handchirurgie, de handbiomechanica en de morfologie. Toen hij in 1995 cum laude promoveerde was de handkliniek voor musici met een multidisciplinaire benadering een feit.

Leijnse is niet de enige musicus die wegens overbelastingsproblemen een muzikale loopbaan moest afbreken. Jaarlijks worden in Nederland tientallen musici tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt door rug-, schouder-, nek-, arm- en handproblemen. Eigen huisartsen, of arbo-artsen van de professionele orkesten schrijven rust en houdingstherapie (Mensendieck, Caesar) voor. Musici proberen zelf ook van alles in het alternatieve circuit (bio-energetica, acupunctuur) om van hun klachten af te komen. Uiteindelijk volgt vaak een doorverwijzing naar de neuroloog (die soms een behandeling met botulinetoxine aanwendt), of naar de polikliniek voor uitvoerende kunstenaars in het Westeindeziekenhuis in Den Haag. De klachten variëren van pijn in schouders, nek of rug tot coördinatiestoornissen of verkrampingen van één of meer vingers. In het laatste geval luidt de diagnose focale dystonie.

focale dystonie

Als de problemen aanhouden worden de musici soms doorverwezen naar de handkliniek voor musici in het Dijkzigtziekenhuis. Plastisch chirurg Sonneveld ziet de musici op de polikliniek en opereert eventueel. De handkliniek is gespecialiseerd in focale dystonieën, overbelastingsklachten en de behandeling en reconstructie van handen na een ongeluk. Als Sonneveld handmechanische problemen vermoedt stuurt hij de patiënten voor een biomechanisch onderzoek door naar Leijnse. Een operatieve ingreep wegens focale dystonie is een end of the road behandeling. De musici die daarvoor worden behandeld zijn vaak al jaren arbeidsongeschikt. Toch is terughoudend met operatieve ingrepen geboden. Het grote gevaar van een pees- en spieroperatie – bedoeld om focale dystonie op te heffen en een hand meer bewegingsvrijheid te geven – is verkleving en verbindweefseling. Op alle operatiesnijvlakken groeit bindweefsel. Bewegingen van geopereerde spieren en pezen kunnen daardoor bemoeilijkt of onmogelijk worden. Alleen een rigoureus revalideringsprogramma dat de dag na de operatie begint verhindert het ontstaan van dat littekenweefsel. Dit risico komt bovenop de `normale' kans op operatiecomplicaties.

De afgelopen vijf jaar hebben ongeveer 200 musici de Rotterdamse handkliniek bezocht. Daarvan bleken er 41 focale dystonie te hebben en 19 van hen zijn nu geopereerd. Tien zijn nog aan het revalideren. Zeven zijn weer aan het werk. Twee hebben hun terugkeerpoging gestaakt. Het opheffen van de beperkingen die voor de problemen zorgden betekent voor veel musici dat hun technische mogelijkheden toenemen. Om er gebruik van te maken is dikwijls het aanleren een nieuwe speeltechniek, waarbij Leijnse hulp biedt.

Hoewel een chirurgische correctie van anatomische beperking nu mogelijk is, gaat dat met zoveel inspanning gepaard dat voorkomen nog steeds beter is dan genezen. Het Dijkzigtziekenhuis heeft een onderzoeksvoorstel van de handkliniek goedgekeurd om de handen van honderd conservatoriumstudenten te meten en ze twee jaar te volgen op het ontstaan van handklachten. Leijnse: ``Je kunt handen globaal in drie groepen indelen. Ten eerste zijn er de alleskunners, de handen zonder noemenswaardige beperkingen. Daartegenover staan de voor een bepaald instrument ongeschikte handen. Daarbij kun je op den duur welhaast zeker problemen verwachten. Het overgrote deel van de handen valt in de tussengroep: ze hebben hun beperkingen, maar ook hun mogelijkheden. De kans op problemen hangt af van hoe de musicus met zulke handen omgaat, van het type instrument, van de gebruikte speeltechniek, van de pedagoog, van de oefenduur, van de repertoirekeus, kortom van vele individuele factoren. Hier ligt nog een onderzoeksterrein ter ontginning open.''