Tussen de oortjes

Een kind grootbrengen is een kwestie van zielzorg geworden. En dat luistert nauw. `De norm is allang niet meer een normaal kind. De norm is een bovengemiddeld kind.'

Voor het stoplicht is een filetje ontstaan, met in het midden razend een rode Alfa Romeo. Gaspedaal en koppeling tot op de bodem ingetrapt, de chauffeur heeft haast. Als de auto's voor hem de weg vrijmaken, zijn banden houvast hebben gevonden op het asfalt en het stoplicht alweer op rood staat, spuit hij ervandoor. Je kan nog net achterin, op een stoeltje vastgebonden, een peuter zien zitten. Pappa heeft vandaag de beurt.

Je durft niet te denken: ik hoop dat-ie straks tegen een boom rijdt (wat je meestal denkt in zo'n geval). Nee, de primaire gedachte is: wat zal er van dat kind worden met zo'n vader?

Dit is de moderne kinderwereld. De hectiek. De zorgvader. En de preoccupatie met de kinderziel, of die het wel allemaal aankan.

De rode Alfa had ook kunnen geruststellen: het kind heeft welgestelde ouders, zijn vader bekommert zich tenminste om hem, het ziet er bovendien blozend uit. Maar in de loop van de twintigste eeuw is, in Nederland, de fysieke gezondheid en materiële welstand van het kind (alles relatief) een gegeven geworden, het uitgangspunt. Een eeuw geleden hoopten ouders dat hun kind zijn tweede levensjaar háálde, nu hopen ze dat het tegen die tijd al zo'n beetje hoogbegaafd zal blijken te zijn. En gelukkig, evenwichtig, zelfstandig en sociaal vaardig.

Het is al met al een compleet pakket eisen: aan de ouders, aan hen omringende deskundigen en vooral ook aan het kind zelf. Kind-zijn is aan het eind van de twintigste eeuw topsport. Het kan in potentie àlles – als het maar goed zit tussen de oren.

Het zevende jaar is een van de eerste kruispunten in het leven. Hier begint de volwassen wereld zijn eerste eisen te stellen. Wat tot voor kort gewoon een druk kind was, waar tolerante ouders wel mee konden leven, is in de klas ineens een lastpak. Van wie de juf of meester suggereert dat er misschien méér mee aan de hand is. Hyperactief, bijvoorbeeld. Net zoals het kind dat niet goed meekomt met lezen geen langzaam kind meer heet en een beetje achteraan mag hobbelen, maar misschien wel dyslectisch is.

Zeven is de leeftijd waarop de hulpverleners een ,,golfje eerste aanmeldingen'' krijgen, zegt Harry van Leeuwen, directeur van het Paedologisch Instituut in Duivendrecht. Bij zijn polikliniek worden jaarlijks drie- à vierhonderd kinderen gemeld. Vanaf vier jaar oud worden ze zelfs wel opgenomen in de kliniek.

,,De doelgroep wordt groter'' volgens Van Leeuwen. Dat heeft te maken met een bevolkingstoename, met een stijgend aandeel van allochtonen daarin, met de `ontdekking' dat ook verstandelijk gehandicapten psychische problemen kunnen hebben.

Het heeft ook te maken met de komst van asielzoekers, zo vult Ernst Hofman aan, psychotherapeut bij de RIAGG Rijnmond-Zuid. ,,Daar moeten wij ook iets mee.'' Hofman spreekt van een ,,breed scala aan klachten van toenemende ernst''. Voor eenvoudig bedplassen komt een kind tegenwoordig niet meer bij een RIAGG binnen.

De maatschappij stelt meer eisen aan kinderen, zegt Hofman. Ze zitten op twee of drie clubjes, ze groeien vaker dan vroeger op in een (of in twee) eenoudergezin(nen), waardoor ze thuis met allerlei spanningen zijn of worden geconfronteerd. Op school zitten ze met 35 kinderen in de klas, van zeven verschillende nationaliteiten. En alsof dat niet genoeg is, moeten ze van speciaal op hen toegesneden media meedenken over wereldproblemen en levensvraagstukken voor ze aan tafel gaan.

Maar het grotere appèl dat op voorzieningen als de zijne wordt gedaan, heeft volgens Hofman evenzeer te maken met een verhoogde waakzaamheid voor de verstoring van jong geluk. Nu de kinderziektes zijn teruggedrongen tot vaccinatieprikjes, of tot een paar weken waterpokken, goed voor de weerstand, is de deskundige zorg verschoven naar de psyche van het kind. En de deskundigheid is niet meer voorbehouden aan huisartsen, kinderpsychologen en orthopedagogen. Scholen zijn een therapeutisch zenuwcentrum geworden, waarin mogelijke signalen van verdriet, vermoeidheid, verwaarlozing en erger worden opgevangen en besproken. Een zichzelf respecterende school vergadert regelmatig over `zorgkinderen', spreekt de ouders aan op hun opvoeding in de ruimste zin van het woord en schakelt zonodig autoriteiten in.

Hofman heeft, bij alle waardering voor de waakzaamheid (,,het signaleren kan niet fijn genoeg zijn'') zijn bedenkingen bij leerkrachten die zelf therapeutisch aan het liefhebberen slaan. Of die veel te gretig een kind doorverwijzen. ,,Niet elke frustratie heeft een therapeut nodig.''

Ouders doen er zelf ook aan mee. Ze zijn door de media, door populair-wetenschappelijke publicaties en door de folderende overheid opgevoed tot half en half professionele pedagogen/psychologen. Als de Libelle een lijstje met symptomen van ADHD afdrukt, kan de RIAGG, zo vertelt Hofman, zich opmaken voor een kleine hausse. Allemaal ouders die het lijstje hebben zitten meestrepen en de diagnose `hyperactief'stellen. Er zijn hulplijnen, videotrainingen, opvoedkundige websites (zoals Islam & opvoeding: `Het is niet waar dat... een flink pak slaag helpt').

De Utrechtse psycholoog Micha de Winter noemt dat de verwetenschappelijking van de opvoeding. En hij ziet daar twee kanten aan. Een goede en een slechte.

De opvoeder van nu heeft meer oog voor de emoties van het kind. Dat is de goede kant, vindt De Winter. Want als kinderen emotionele problemen hebben en je doet er niks aan, maak je hun het normale leven onmogelijk.

Aan de andere kant komt de spontaniteit door de verfijnde observatie in het gedrang. ,,Ouders denken niet meer: doe ik het wel goed? Maar: doe ik het wel precies goed?'' Dat heeft ook te maken met de gezinssamenstelling. Nu veel gezinnen maar één kind hebben, moet dat ene kind alle ouderlijke dromen vervullen. De Winter: ,,De norm is allang niet meer een normaal kind. De norm is een bovengemiddeld kind.''

Vandaar dat de geestesgesteldheid nauw luistert. Dat ouders hun kinderen naar senso-motorische training sturen. Dat ze haastig suggereren dat hun beetje vervelende kind misschien wel hoogbegaafd is. Of dat elk kwijlertje sliktraining krijgt bij de logopedist. De Winter noemt dat de uitwassen van de individualisering van de opvoeding.

Hij heeft in China scholen bezocht. Andere uiterste. Daar worden de leerlingen in groepen opgedeeld. Aan het eind van de dag wordt meegedeeld dat groep Rood heeft gewonnen, of dat groep Groen de beste muziek heeft gemaakt. ,,Dan stralen die gezichten. Maar als er even geen groepsactiviteiten zijn, wordt elk kind achter een tafel met blokken gezet en dan zijn het net zombies. Armen langs hun lichaam, turen ze naar de blokjes, geen idee wat ze ermee aan moeten. Er is op dat moment ook helemaal geen aandacht voor hen. Die begint pas weer als ze hun plaats in de groep innemen.''

Zoals in China het individuele kind wordt veronachtzaamd, zo gebeurt dat in de Westerse wereld met het `collectieve' kind, vindt De Winter. ,,Bij ons is de opvoeding volstrekt geïndividualiseerd. Met als hoogste doel het individuele geluk. Dan moet je dus ook niet raar opkijken als je egocentrische kinderen krijgt.''