TREURIG, ZORGELIJK EN MOEILIJK

Gettovorming, minder worden voorgelezen, minder spelletjes spelen, slecht Nederlands spreken, geringe ouderbetrokkenheid bij school, geen eigen kamer, verkeerde rolmodellen – het zit de allochtone scholieren nog altijd niet mee.

De conclusie is duidelijk, in de Minderhedenmonitor 1998. ``Turken, Marokkanen en Antillianen doen het slecht in het onderwijs.'' Deze allochtone leerlingen verlaten vaak op jonge leeftijd het onderwijs en zijn sterk oververtegenwoordigd in het laagste opleidingsniveau. Vooral de buitensporig hoge voortijdige uitval van vrouwen springt in het oog. Het is niet moeilijk een treurige opsomming te geven. Landelijk bezien kunnen slechts met moeite een paar verbeteringen worden bespeurd in het onderwijsniveau van Turkse en Marokkaanse jongeren. De tweede generatie doet het iets beter dan de eerste, blijkt uit de cijfers. Maar, zo wordt dan meteen gezegd, zo moeilijk is dat niet. De eerste generatie had immers nauwelijks een opleiding gevolgd. En bij de Antillianen doen de jonge immigranten het juist weer stukken slechter dan de ouderen. Maar toch, uit een nog niet gepubliceerde grootschalige studie van het Instituut voor Sociologisch-Economisch Onderzoek (ISEO) en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat de jongste groep van Turkse afkomst bijvoorbeeld iets vaker voor de Havo kiest dan de `oudere Turkse jongeren'.

UITZONDERING

``De uitval is soms dramatisch, je ziet een duidelijke tweedeling in het onderwijs'', zegt onderwijsspecialist Zeki Arslan van het multiculturele expertisecentrum Forum. Het jaarboek Minderheden 1998 formuleert het nauwelijks voorzichtiger: ``Het aantal drop-outs is verontrustend hoog.'' Van de Turkse en Marokkaanse jongeren verlaat ongeveer een kwart van de jongens én meisjes de opleiding zonder een diploma. ``Zorgelijk'', volgens het jaarboek. De enige uitzondering op deze regel lijken de Surinaamse jongeren te zijn, die langzaamaan voor hogere opleidingen kiezen.Waar komt het door? Sociologen, voorzitters van minderhedenorganisaties, beleidsmakers, onderwijsspecialisten, welzijnswerkers en jongeren zelf voeren een waslijst met verklaringen aan.

De eerste reden die wordt genoemd is de taalachterstand op jonge leeftijd. Nog altijd wordt er in veel allochtone gezinnen alleen Berbers, Arabisch, Turks of Papiamento gesproken. Sommige kinderen beginnen aan de basisschool zonder een woord Nederlands te kennen, anderen spreken het gebrekkig. Interactie met Nederlandse kinderen kan helpen, maar door de verdergaande concentratie van allochtonen in wijken in grote steden wordt er op het schoolplein minder Nederlands gesproken. In Den Haag, Amsterdam, Rotterdam en Utrecht, maar ook in Dordrecht, Schiedam, Gouda of Arnhem zijn wijken waar het percentage kinderen van allochtone afkomst ver boven de vijftig ligt. ``Een zekere mate van getto-vorming'', noemt de minister voor `Grote steden en Integratie' Rogier van Boxtel dat. En het verschil in woordenschat tussen autochtone en allochtone jongeren blijkt na de basisschool alleen maar groter in plaats van kleiner te zijn geworden.

Het SCP wijst ook op de ``cultureel verschillende opvoedingspraktijken''. Daarmee wordt bedoeld: minder voorlezen, minder spelletjes spelen met de kinderen, minder op vragen van kinderen ingaan. ``Er is hierbij tevens een relatie met het lage opleidingsniveau van de ouders'', volgens de Minderhedenmonitor 1998.

Ondanks hun lage opleidingsniveau willen de ouders wel dat hun kinderen hoger onderwijs volgen, zo blijkt bijvoorbeeld uit onderzoeken naar opvoeding in Turkse en Marokkaanse gezinnen. ``Ouders zijn teleurgesteld als hun kind het advies krijgt om naar het voorbereidend beroepsonderwijs te gaan in plaats van naar de Havo'', zegt Y. Bentoumya van de welzijnsorganisatie Nieuwe Perspectieven. Als `interventiewerker' heeft hij dagelijks intensief contact met jongeren die zijn afgehaakt en met hun ouders.

AFSCHRIJVEN

Onderwijzers en directeuren van scholen merken vaak op dat de ouders weinig betrokken zijn bij de opleiding van hun kinderen. Ze komen niet naar ouderavonden, ze doen niet mee aan activiteiten, ze helpen hun kinderen niet. Ook dat heeft te maken met hun opleiding: de ouders snappen het Nederlandse systeem niet en kúnnen simpelweg hun kinderen niet helpen. Directeur A. Aboutaleb van Forum zet dan ook vraagtekens bij alle projecten die proberen de ouders meer bij de opleiding van hun kind te betrekken. ``Misschien moeten wij hen op dat punt afschrijven'', aldus Aboutaleb. Zijn collega Arslan ziet dat anders: ``Scholen moeten met ouders duidelijke afspraken maken en hen erop aanspreken als ze zich niet met de voortgang van hun kind bemoeien.''

De `thuissituatie', zoals het in jargon heet, helpt ook niet altijd. Turkse en Marokkaanse gezinnen wonen, zo blijkt uit cijfers van het CBS en het ISEO, veel kleiner en met veel meer in een flat. Voor kinderen is er meestal geen ruimte om zich op hun eigen kamer terug te trekken. Er is één televisie, en die staat op een Turkse of een Marokkaanse zender. Ook al kijken de kinderen liever naar een serie op Veronica. En thuis roken of blowen is voor de meeste kinderen taboe. ``Ze gaan dan vrijheid, vertier, spanning en sensatie op straat zoeken'', zegt Hans Straver, unit-coördinator van Nieuwe Perspectieven. De overgang van de basisschool naar het voortgezet onderwijs is van essentieel belang. ``De jongeren komen in de pubertijd. De controle van de basisschool valt weg en er is meer vrije tijd na de school'', aldus Straver. Het gevolg: rondhangen op de hoek van de straat, bij de snackbar of in de coffeeshop. ``Vanaf een jaar of tien voeden de jongens elkaar op straat op'', volgens Straver. Hij heeft dagelijks intensief met drop-outs te maken.

Bij het `elkaar opvoeden' ontbreken vaak de juiste `rolmodellen'. Het aantrekkelijke voorbeeld is een vriend van een paar jaar ouder met eigen scooter, de juiste Nikes en een GSM. ``Voor een jongen van dertien is het interessant om tegen die groep aan te hangen'', zegt Straver. De jongens krijgen behoefte aan geld en verlaten de school om te gaan werken of, soms, omzich te ontwikkelen tot `draaideur-crimineel'. Hun kans om via school en hard werken iets te bereiken achten de jongeren zelf gering. Ook het schooladvies is vaak laag, in sommige gevallen te laag, waardoor juist de leerlingen met veel potentie gedemotiveerd raken.

Aan de constante achterstand van Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse jongeren wordt van alles aan gedaan. Of beter: er wordt geprobeerd van alles aan te doen. Maar helaas, ``het ontbreken van samenhang en samenwerking werkt contraproductief'', constateert de regeringsnota `Kansen krijgen, kansen pakken' (1999). ``Bestuurlijke en ambtelijke verkokering, eigenbelang van organisaties en instellingen zijn evenzovele hinderpalen voor een strategische, doelgerichte samenwerking.'' Stadsbesturen, stadsdeelbesturen, gemeentelijke diensten, politie, welzijnswerk, jongerenwerk, scholen, sportclubs, culturele organisaties, bewonersorganisaties, minderhedenorganisaties: iedereen heeft zijn eigen projecten en plannetjes. En dat is `pijnlijk duidelijk', aldus de nota.

VRIJETIJDSBESTEDING

De gefragmenteerde aanpak begint bijzonder vroeg. Gemeenten trachten allochtone peuters naar speelzalen te lokken, om de ``aanvangsachterstand'' te verminderen. Hetzelfde doel hebben de projecten voor zogeheten `voorschoolse opvang', met leuke namen als Opstapje, Opstapje Opnieuw, Overstap en Stap Door. De bedoeling is dat kinderen die deelnemen aan die projecten wèl Nederlands spreken als ze aan de basisschool beginnen.

Vervolgens krijgen zowel basisscholen als het voortgezet onderwijs meer geld als ze meer allochtone leerlingen hebben. Er zijn bovendien allerlei `preventieprojecten' die moeten voorkomen dat jongeren uitvallen. Ze proberen vroegtijdig met de jongeren in contact te treden en hen te begeleiden met huiswerk en vrijetijdsbesteding. Daarnaast bestaan `meldpunten' die uitvallers moeten registreren en proberen hen op een andere school te plaatsen. En dan zijn er nog de vele projecten die jongeren via een opleiding naar een baan moeten leiden.

Hoeveel miljoenen guldens er jaarlijks in wordt gestoken om het opleidingsniveau van etnische minderheden te verhogen is niet vast te stellen. Het is te verdeeld. Niet al het beleid is specifiek gericht op etnische minderheden. De verantwoordelijkheid voor het onderwijsbeleid en het minderhedenbeleid is bovendien gelegd bij gemeenten. En wat op rijksoverheidsniveau wordt gedaan is verder verdeeld over verschillende ministeries (Onderwijs, Welzijn, Binnenlandse Zaken, Justitie). Coördinerend minister Van Boxtel moet dan ook voor elk plan met de desbetreffende ministeries én met de gemeenten om de tafel gaan zitten. Mogelijkheden om gemeenten beleid op te leggen heeft hij niet. Hoogstens de mogelijkheid om subsidies te geven.

deltaplan

Volgens Arslan is het allemaal niet voldoende. ``Er moet een deltaplan komen'', zegt de onderwijsspecialist van het expertisecentrum Forum. Hij vindt dat er een belangrijke verantwoordelijkheid ligt bij de scholen. ``Zij moeten leerlingen aanspreken op hun verantwoordelijkheid en hun gedrag. Er moet gedisciplineerd onderwijs worden gegeven. Leerlingen moeten worden gemotiveerd. Dat gebeurt te weinig.'' Elke school moet een ``taalbeleid'' hebben. Plannen om de school langer open te houden zodat leerlingen niet op straat hoeven hangen, zijn welkom, volgens Arslan. ``Dan kan je huiswerkbegeleiding of bijles geven.'' Dit gebeurt inmiddels op verschillende scholen in achterstandswijken. Volgens Arslan moet er ook ``meer openheid'' zijn in het voortgezet onderwijs, vooral in het MBO. ``Veel jongeren vallen daar af. Dat moet per MBO openbaar worden gemaakt.''

Kinderen beginnen op hun vierde aan de basischool. Volgens Arslan kan dat worden vervroegd, naar tweeëneenhalf. Om Nederlands te leren. ``En ouders moeten worden verplicht hun kind te brengen, als dat nodig is.'' Er zijn al veel projecten, erkent Arslan. ``Maar kennelijk is het niet genoeg, of zijn het de verkeerde maatregelen, of niet structureel genoeg. Grote groepen dreigen de aansluiting te missen en dat kunnen wij ons niet veroorloven.''