PRATENDE AAP

Er blijken nog steeds wetenschappers te zijn die Homo sapiens per se een toontje lager willen laten zingen. En dat doen ze dan altijd door te stellen dat het taaldier mens toch zeker niet uniek is: `Kijk maar naar de apen!' Volgens redeneringen à la Richard Byrne (`Praten en bedriegen', W&O, 20 maart) waaruit zou moeten blijken dat apen ook begrip voor symbolen tonen: `Het is onrustbarend'. Nu wijst de taalwetenschapper Steven Pinker in zijn boek `Het taalinstinct' erop dat een kind van twee jaar een zinnetje als dit kan produceren: `We gaan licht aandoen dat je niks ziet'. Een in taal getrainde chimpansee produceert zinnen als: `Mij banaan jij banaan mij jij geven'. Let wel: een in taal getráínde chimpansee. Dat kind van twee jaar is gewoon een kind van twee jaar. Bij de chimpansee blijft het ook bij die zinnetjes, zelfs na jarenlange training. De taalvaardigheid van het kind schiet daarentegen als een raket omhoog.

Ook wijst Pinker op de analyse van de zoöloog/sociobioloog E.O. Wilson van onderzoeken naar communicatie tussen mieren (en dieren en mensen). Wilson merkt op dat een van de opvallendste kenmerken is dat dieren zich herhalen tot in het absurde. ``Zelfs als je woordenschat, fonologie, morfologie en syntaxis buiten beschouwing laat, resteert als het indrukwekkendste aspect van de gebaren die chimpansees maken dat ze het eigenlijk gewoon niet snappen.''

Het is voorts bijna gênant dat Byrne nog eens komt aanzetten met Kanzi, die wonderbaarlijke bonobo die spontaan met symbolen speelde. Nu ja, spontaan, het beest groeide op bij een moeder die een intensieve taaltraining had ondergaan – zonder succes. Na een grondige analyse van de taalvaardigheid van Kanzi restte de welwillende constatering dat zijn taalgebruik nèt iets boven het niveau van zijn verwanten lag. Pinker schrijft dan ook dat ``een mens het zeker niet beter zou doen als hij werd getraind in hoe-hoe roepen en krijsen als een chimpansee, een project dat wetenschappelijk gezien net zo zinvol is''.

Resteert de vraag waarom Byrne Homo sapiens zo graag dat toontje lager wil laten zingen, door de uniciteit van zijn taalgebruik te relativeren. Vermoedelijk heeft het te maken met de afkeer van de idee van de mens als kroon op de schepping. Maar daar zijn we nu toch wel een beetje overheen?