Oswald

Oswald heeft toneelles. ,,Een naschoolse activiteit.'' Aan de muur van de zaal hangen kleden met Oosterse figuren erop. Wie dat zijn? Oswald kijkt peinzend. Hij ziet liever de foto's van de Abhinaya-dans die zijn groep vorige week uitvoerde. ,,Dat is Krishna'', wijst hij. Een soort god, zo iemand als Jezus, maar dan met een gekleurde jurk.

Oswald zit op de Platoschool, voor spiritueel onderwijs. Als je op zijn school ruzie maakt, dan moet je erover praten in de groep, net zolang tot het is opgelost. Mediteren is ook goed. Dat betekent dat je vier keer per dag heel stil gaat zitten, en over iets nadenkt. Over het thema van de week bijvoorbeeld: liefde of vriendschap. Iedereen in de groep moet daar wat over zeggen. Dat heet filosofie. Oswald heeft bijvoorbeeld bedacht waarom Tiro zijn beste vriend is, en alle anderen niet. ,,Andere kinderen zijn zo onrustig.''

Na school rent Oswald naar buiten. Daar zit Bill in een oude auto op hem te wachten. ,,Bill is mijn vader. Maar ik heb ook nog een echte pappa.'' Hoe het was, vraagt Bill. Oswald zucht, hij heeft geen zin meer in vragen: ,,Ik heb honger, dorst, en ik ben moe.''