Nol, Wor en Wap

Over de hele wereld zou de mens kleuren typeren op grond van elf à twaalf basale kleurvelden. Onzin, zeggen de critici. Kleur als abstract begrip zou alleen maar bestaan in de hoogtechnologische westerse cultuur.

AAN DE Sepik-rivier in het noorden van Papoea Nieuw-Guinea wonen de Berinmo. Deze geïsoleerd levende jagers en verzamelaars werden onlangs voor het eerst bezocht door een wetenschappelijke expeditie, onder leiding van de Britse psychologe Debi Roberson. De promovenda wilde vooral weten hoe de Berinmo kleuren indeelden. Samen met de Britse psychologen Jules Davidoff en Ian Davies bracht ze verslag uit in Nature (`Colour categories in a stone age tribe', 18 maart)

De Papoea's werden lastiggevallen in het kader van een groeiende controverse over het bestaan van een universele indeling van het kleurenspectrum in verschillende basiskleuren, zoals rood, blauw, groen, enz. In vrijwel ieder psychologisch handboek is te lezen dat er in de menselijke taal niet meer dan een stuk of elf `basiskleurtermen' zouden bestaan. Deze indeling zou gebaseerd zijn op fysiologische eigenschappen van het menselijke oog en hersenen. Dat sommige talen maar een paar basiskleurtermen hebben, doet daaraan niets af, integendeel. In deze verschillende aantallen basiskleurtermen zouden juist duidelijke fasen zijn te herkennen. Veel tijd en geld wordt besteed aan onderzoek naar deze `universele catalogisering' van kleur. Maar een aantal antropologen vindt het onderzoek onzin. Niet-westerse volkeren hebben helemaal geen algemene termen voor kleuren, zegt bijvoorbeeld Barbara Saunders van de Katholieke Universiteit Leuven. Zo'n abstract kleurensysteem is pas mogelijk met industriële druktechnieken. ``Het enige wat bij dit soort onderzoek wordt gemeten is de mate waarin de mensen zich hebben aangepast aan de Westerse cultuur. Het is gewoon koloniale wetenschap.''

Het ging bij de expeditie naar de Berinmo niet om een etnografisch antropologisch onderzoek naar hun leefwijze of ideeën. Ook hoe ze met kleurstoffen omgaan, en of ze rituele voorwerpen met specifieke kleuren hebben: het speelde allemaal geen rol. Centraal stonden de basic color terms van de Berinmo. Gewapend met 160 systematisch geordende kleurenfiches (gedefinieerd door golflengte en in maximale verzadiging, volgens het systeem van de Amerikaanse Munsell-kleurenatlas) ondervroeg Robinson de Papoea's in langdurige sessies naar hun algemene kleurtermen. En wat bleek? De Berinmo gebruiken vijf `basale kleurentermen'. Eén term domineert het spectrum: Nol (blauw/groen). Verder gebruiken ze Wor (bruin/groenig/geel/oranje), Mehi (rood/oranje/roze), Wap (`licht'/wit) en Kel ( `donker'/zwart).

RIJPE VRUCHTEN

Natuurlijk kunnen de Berinmo veel meer kleuren onderscheiden en ook – indien nodig – benoemen. Maar Robinson kon hun slechts vijf verschillende algemene, veelgebruikte korte woorden ontlokken die alleen voor `kleur' worden gebruikt en in principe op àlle voorwerpen van toepassing kunnen zijn. Termen die alleen voor een bepaald soort rijpe vruchten of een bepaald dier worden gebruikt vallen af. Ter vergelijking: bij benoeming door Nederlanders valt de Munsell-kleurenkaart uiteen in elf velden: zwart, wit, rood, blauw, geel, groen, bruin, paars, oranje, roze en grijs. Wie er meer wil benoemen, moet terugvallen op woorden die eigenlijk naar objecten verwijzen, zoals aubergine, zalm, turkoois (naar de edelsteen). En die tellen binnen deze psycho-linguïstische systematiek niet mee als algemeen kleurwoord, ook al is bijvoorbeeld oranje wel ooit begonnen als een verwijzing naar sinaasappels. Ook een term als `blond' valt af, want die kan slechts slaan op een beperkt aantal objecten: haar en ook wel bier. Het Russisch schijnt de meeste basiskleurtermen te hebben: twaalf, dankzij een verdeling van blauw in sinij (lichtblauw) en goluboj (donkerblauw), een onderscheid dat lijkt op het Italiaanse verschil tussen azzurro en blu.

De Berinmo benoemen op zo'n abstracte kleurenkaart maar vijf `velden', hoewel ze in principe alle individuele vlakjes evengoed van elkaar kunnen onderscheiden als Europeanen. In principe, maar niet helemaal. Want het Berinmo-onderzoek van Davidoff, Davies en Roberson werd juist in Nature gepubliceerd wegens de opvallende constatering dat deze Papoea's nu juist wèl een ander onderscheidingsvermogen van kleuren lijken te hebben dan Europeanen. En dat verschil blijkt zich precies te bevinden in het groene gebied waardoorheen de grens tussen Nol en Wor loopt.

Deze bevinding gaat in tegen de al dertig jaar oude opvatting dat bij ieder mens het spectrum principieel is ingedeeld in de uiteindelijk 11 à 12 bekende basiskleuren, zèlfs wanneer zijn eigen taal niet zoveel basiskleurtermen heeft. Dit is de basisstelling van antropoloog Brent Berlin en de linguïst Paul Kay in hun boek Basic color terms: their universality and evolution (1969). Volgens hen is er zelfs sprake van een cultureel-evolutionair proces: een soort geleidelijke ontdekking van deze velden in verschillende culturele evolutiefasen. Hier was (eindelijk!) een algemene `bio-culturele ontwikkelingswet' ontdekt.

Als een taal maar twee abstracte kleurtermen kent, bevindt deze zich volgens Berlin & Kay in fase 1. De termen komen dan altijd neer op zwart en wit. Als er een derde woord bestaat, is dat altijd rood: fase 2. Vervolgens verschijnen groen en geel: fase 3 en 4, enzovoort. Het zesde woord dat opduikt is vrijwel altijd blauw. En dan komt bruin zo ontdekten Berlin & Kay. En pas als een taal meer dan acht basale kleurtermen heeft, komen paars, roze, oranje en grijs erbij. De grenzen tussen de kleurvelden wisselen, maar de brandpunten zijn redelijk stabiel.

In 1976 begonnen Berlin & Kay het World Color Survey (WCS), waarin inmiddels van meer dan 100 talen de basale kleurtermen zijn verzameld, door onderzoek ter plaatse. Uit statististische analyse van het WCS blijkt dat bijna een kwart van de in totaal meer dan tienduizend verzamelde `kleurbrandpunten' zich bevinden in de kolommen van de gebruikte kleurkaart die wij rood, geel, groen en blauw zouden noemen. Bij een toevallige verdeling zou dat 10 procent zijn, meer dan de helft minder, zo verklaarde de antropoloog Robert MacLaury recentelijk in Behavioral and Brain Sciences (juni 1997). Maar verder lijkt het WCS, waarvan definitieve en complete publicatie voortdurend is uitgesteld, nogal een ratjetoe. Driekwart van de `kernkleuren' is kennelijk vrij chaotisch verdeeld. Volgens MacLaury zouden vooral oudere sprekers van sommige talen bij de indeling van het Munsell-kleurenschema meer op helderheid en lichtheid letten dan op kleur.

De belangrijkste ondersteuning voor het algemene idee van de basiskleurtermen is nog wel een `bewijs uit het ongerijmde': dat nergens talen zijn gevonden die extreem afwijken van het systeem van Berlin en Kay. Geen taal ter wereld heeft als enige basistermen paars, bruin en roze.

Op zichzelf is dit patroon niet meer dan opmerkelijk: over een mogelijke oorzaak zeggen deze feiten niets. Maar volgens Berlin en Kay moet deze relatieve stabiliteit van algemene kleurbenoemingen verklaard worden uit specifieke eigenschappen van de menselijke perceptie, en dan vooral van de hersendelen die de visuele input verwerken. Hoe zou het anders te verklaren zijn? Een fysiologische ondersteuning ontbreekt echter. Want de perceptie bij mensen (en apen) behoort tot de meest onderzochte neurologische processen, niettemin is het mechanisme dat kan leiden tot Berlin & Kay's tiental basiskleuren nog nooit gevonden. Men is nog niet veel verder dan de constatering dat zich in het netvlies drie verschillende kleurgevoelige cellen bevinden (bij sommige mensen mogelijk vier) en dat halverwege de verwerking in de hersenen deze input waarschijnlijk wordt omgezet in de complementaire kleuren rood-groen en geel-blauw. Andere `voorgeprogrammeerde' kleurmanipulaties in het brein zijn goed mogelijk, maar niet aangetoond.

BABY-REACTIES

Wel vinden Berlin & Kay steun in onderzoek waaruit zou blijken dat baby's van vier maanden al de kleurenvelden rood, geel, groen en blauw zien (op grond van baby-reacties op wisselend gekleurde lampen). Ook blijken bepaalde hersencellen van Makaken te reageren op de kleurvelden rood, groen, geel en blauw. In recente publicaties leggen Berlin & Kay dan ook maar de nadruk op de `echte' basale kleuren zwart, wit, rood, geel, groen en blauw. De andere vijf à zes zouden dan weer afgeleiden van deze basistinten zijn.

Maar zelfs deze beperktere uitgangspunten zijn omstreden. Want uit andere onderzoeken blijkt juist weer dat oranje door peuters, studenten en Papoea's het best onthouden wordt. En tegen een `aangeboren' kleurenindeling pleit volgens sommigen ook het verschijnsel dat kinderen tot zeven jaar oud juist de grootst mogelijke moeite hebben om de juiste namen aan de juiste kleuren te verbinden. Terwijl ze de kleuren zelf prima van elkaar kunnen onderscheiden en desgevraagd ook vaak een hele lijst van beschikbare kleurnamen kunnen opdreunen. Maar de combinatie van die twee blijft lang een probleem. Opmerkelijk is daarbij dat aan het begin van de eeuw kinderen pas op hun achtste vier kleuren goed konden benoemen, terwijl dat nu al verwacht wordt van een drie- à vierjarige. Mogelijk wordt kleurbenoeming door de ouders en op school tegenwoordig intensiever aangeleerd. Ook worden kinderen waarschijnlijk veel meer dan vroeger omringd door intense `knalkleuren'.

Begin jaren zeventig was nog bij een andere stone-age tribe, de Dani in Irian Jaya, vastgesteld dat hun onderscheiding van kleuren juist niet gehinderd werd door het feit dat ze maar twee basale kleurtermen kenden. Maar in het Nature-artikel over de Bernimo onthullen Davidoff e.a. dat zij uit een herberekening van de Dani-gegevens uit 1973 het omgekeerde resultaat kregen.

Het Berinmo-onderzoek ondergraaft de universalistische pretenties van de basiskleurentheorie, maar het accepteert nog altijd als vanzelfsprekend de bruikbaarheid van de kleurstalen en basiskleurtermen bij het onderzoek onder niet-westerse volkeren. Er zijn ook critici van Berlin & Kay die veel verder gaan in hun afwijzing. Een van de radicaalste is de Britse antropologe Barbara Saunders, verbonden aan de Katholieke Universiteit Leuven. Ooit begon ze aan een onderzoek naar de basiskleurtermen van de Lekwiltok Kwakiutl, een indianenstam die leeft op het eiland Vancouver, in Zuidwest-Canada. Wie per se wilde, kon het Kwakiutl-kleursysteem typeren als een vierkleurensysteem: zwart, wit, rood en groen/blauw. Maar Saunders concludeerde juist dat deze, inmiddels behoorlijk verwesterde stam van oorsprong helemaal geen `algemeen kleurbesef' moet hebben gehad.

In het proefschrift waarop ze in 1992 in Utrecht promoveerde (The invention of basic colour terms), poneert ze dat noch kleur, noch ruimte, noch klok-tijd `natuurlijke' indelingen van de wereld zijn. Het zijn geen universele eigenschappen van de mens, maar abstracties die via onderwijs en veelvuldig gebruik het moderne wereldbeeld zijn gaan bepalen.

Kleur als abstract begrip is een moderne technologische uitvinding, aldus Saunders, en wie met dat systeem naar de Papoea's (of een willekeurig niet-westers volk) gaat, zal alleen maar meten in hoeverre die Papoea's welwillend genoeg zijn om zich in te leven in die vreemde bezoekers. ``Maar wat je meet is dan die aanpassing en geen kenmerk van die oorspronkelijke cultuur'', zegt Saunders in een werkkamer op de Universiteit van Leuven. ``Ik vind dit soort kleurenonderzoek een achterhaalde, koloniale onderneming. Het enige effect ervan is de beklemtoning van de primitiviteit van andere rassen en culturen. In kleurbesef zijn het slechts beperkte versies van ons, de volledig ontwikkelde. Schandelijk vind ik dat. En als je dan ziet hoe slordig sommige gegevens worden verzameld.''

Saunders beschouwt het Westers kleurensysteem als een vrij recente uitvinding. Kijk, wijst Saunders, ``daar ligt een fel rode multomap. Als je je huis wilt verven is zo'n kleursysteem erg handig. Maar vroeger kwam dat rood alleen maar voor bij klaprozen. Ik denk dat die `kleur-ervaring' toen geen zelfstandig bestaan had tenzij een bepaalde technologie dat nodig maakte. Bijvoorbeeld de Romeinen hadden dankzij hun grootschalige wol- en leerindustrie veel verftermen. In oude teksten komen dan ook amper echte basiskleurnamen voor. En de `algemene' kleurnamen die voorkomen benadrukken meestal geen kleur maar `schittering', lichtheid of iets anders. Waarom ook zou het huidige abstracte kleurenspectrum bij de aanduiding van voorwerpen altijd saillanter moeten zijn dan al die andere eigenschappen van een ding: afmeting, oppervlaktestructuur, glans, schittering, flikkering, fonkeling, vorm, fluorescentie, contrast met de omgeving, noem maar op?''

Een andere belangrijke criticus van de basiskleurtermen is de linguïstisch geïnspireerde Amerikaanse antropoloog John Lucy, die tegenwoordig hoofd is van het Human development program van de Universiteit van Chicago. Hij was een van twee `officiële' dissenting voices die waren uitgenodigd op een groot `basiskleurcongres' in Californië in oktober 1992. Al die overzichtelijke woordenlijsten verdoezelen het feit dat woorden niet simpele aanduidingen van dingen in de werkelijkheid zijn, maar onderdelen van communicatie, zo hield hij de verzamelde kleurdeskundigen voor. Als je goed kijkt, voldoen de `basiskleurtermen' van niet-westerse volkeren helemaal niet aan de gestelde eisen. Ze worden meestal ook gebruikt om allerlei àndere zaken en eigenschappen aan te duiden, die niets met het westerse kleurbegrip te maken hebben. En dus wordt opeens een bruine boomwortel `groen' genoemd, omdat hij nat is. ``Dat zijn geen bijbetekenissen, maar directe en zuivere verwijzigingen'', aldus Lucy. ``Het gedoe met de Munsell-kleurkaart heeft weinig met het echte taalgebruik te maken.''

Het hele Berlin & Kay-bouwwerk zegt volgens Lucy dan ook niets over mogelijke universele kleurcategorieën: ``Het enige dat gebeurt is het sorteren van de vocabulaire uit andere talen op grond van de mate waarin ze overeenkomen met Westerse begrippen.''

FILTEREN

Veel effect heeft de kritiek niet. Uit het congresboek (C.L. Hardin en Luisa Maffi: Color categories in thought and language Cambridge 1997) blijkt dat Lucy's kritiek vooral werd opgevat als een aanmoediging om `ruis' uit de basiskleurtermen te filteren. En Saunders' kritiek, waarnaar wordt verwezen in de voetnoten, wordt afgedaan als `linguïstisch relativisme' – tot grote irritatie van Saunders zelf: ``Ik ben helemaal geen relativist of universalist. Zo'n tegenstelling ontstaat pas wanneer je zoiets als `basiskleurtermen' invoert. En daar ben ik juist tegen.''

Hebben Berlin & Kay en hun navolgers gelijk met deze betrekkelijke onverstoorbaarheid? Waarschijnlijk wel, zegt Ype Poortinga, hoogleraar `crossculturele psychologie' in Tilburg. ``Want wat zijn de alternatieven? Saunders beweert dat de mensen vroeger in het Westen en nu in de niet-westerse culturen geen abstract kleurbegrip kennen. Dat zou kunnen, maar haar bewijzen acht ik niet erg dwingend. Tenslotte wordt er in andere culturen ook veel gebruik gemaakt van kleur. En uit het materiaal van Berlin & Kay c.s. blijkt dat de indeling van het spectrum nooit willekeurig is. Nooit wordt bijvoorbeeld het hele gebied tussen rood en blauw met één term aangeduid en tegelijkertijd allerlei kleine gebiedjes in het roze met 5 termen. Natuurlijk bestaan er binnen (en buiten) zo'n patroon allerlei incidentele verschillen, verschuivingen en onduidelijkheden, zoals nu weer blijkt uit dat onderzoek onder de Berinmo. Maar dat is onvermijdelijk. Als je in de psychologie iets onderzoekt, heb je altijd meer dan de helft ruis.''

Poortinga zelf vindt het feit dat kinderen van een paar maanden al het kleurenspectrum lijken in te delen in duidelijk onderscheiden kleurvelden overtuigend. ``En dat is frappant, ook al wordt zo'n onderzoek gedaan met Westerse kinderen, die waarschijnlijk al vanaf hun eerste levensdag felgekleurde balletjes in hun wiegje hebben zien hangen. Maar het is daarom wel jammer dat die Britten in Papoea Nieuw-Guinea geen Berinmo-baby's hebben onderzocht.''