NAAR AMERIKA

Voor degenen die bekend zijn met de stand van archeologisch onderzoek in Zuid-Amerika naar de vroegste indianen van dit werelddeel, komt de teneur van het artikel `Naar Amerika' van uw redacteur Dirk van Delft in de bijlage W&O van 10 april jongstleden niet als een verrassing. Sterker nog, in Zuid-Amerika is reeds lang de hypothese dat de Clovis-horizon de vroegste immigratie van mensen in de Nieuwe Wereld voorstelt, ten grave gedragen. De auteur zou er dan ook goed aan gedaan hebben in plaats van te spreken van `de heersende theorie' en de `standaardtheorie', een en ander te kwalificeren als het `alleen in Noord-Amerika' nog geldende paradigma. Dat de Clovis-hypothese zich zo lang heeft weten te handhaven, is te danken (of te wijten) aan het stelselmatig negeren door spraakmakende Noord-Amerikaanse archeologen van alle onderzoeksgegevens die op het tegendeel wijzen. En die inderdaad uit Zuid-Amerika komen.

José M. Cruxent (Caracas) was de eerste die met gericht onderzoek van Paleo-indiaanse `kill sites' in Venezuela aantoonde dat hier jagers/verzamelaars rondzwierven op een tijdstip dat door consistente series radiokoolstofdateringen te bepalen viel tussen 14.000 en 12.000 B(efore) P(resent), dus ruim voor de Clovis-horizon. Dit was in de jaren '60! Cruxents onderzoek en dateringen werden bevestigd door opgravingen van Alan Bryan (University of Alberta) in Venezuela een tiental jaren later en dat van anderen, met name Fransen en Brazilianen, in Oost-Brazilië. Echter, in Noord-Amerika werd al dit onderzoek stelselmatig genegeerd, ja zelfs min of meer belachelijk gemaakt. Men leze er de discussie tussen Bryan en Thomas Lynch (Cornell University), een rigide Clovis-aanhanger, maar op na zoals die gevoerd werd in `Quaternary Research' van 1973 en nog eens dunnetjes werd overgedaan in `American Antiquity' van 1991.

Al met al is er met Monte Verde in Zuid-Amerika dus niets nieuws onder de zon. Nog minder is dit het geval met de als een `hot item' gepresenteerde westkustroute. Al in de jaren zeventig werd deze door Knud Fladmark voorgesteld, in aansluiting waarop Richard Rogers in de jaren tachtig de significantie van de taaldiversiteit langs de westkust van Noord-Amerika aan de orde stelde. Op grond hiervan kwam Ruth Gruhn zelfs tot een tijdsbepaling van 35.000 jaar voor de menselijke immigratie van de Nieuwe Wereld. Blijft de vraag waarom het tot het eind van de twintigste eeuw heeft moeten duren voordat ook in de Verenigde Staten het besef begint door te dringen dat de Amerika's al vóór Clovis bewoond waren. Zou de reden zijn dat Monte Verde (Chili) door een team van Noord-Amerikanen is opgegraven?