Mythe op vleugels van tragiek

Stralend, weelderig lachend met rode mond loopt ze door de film heen: Hanna Schygulla in Lili Marleen (1980) van Rainer Werner Fassbinder. Haar ogen houdt ze half geloken, ze heeft de keuze uit een oogverblindende garderobe. In elke scène toveren de visagiste en kapster haar tot een andere vrouw; dan weer met het lange blonde haar royaal vallend, dan strak omhoog gekamd, nu eens streng, dan sensueel. En toch telkens: die mond, die ogen.

De actrice Hanna Schygulla is Fassbinders ontdekking. Het verhaal van de film doet er minder toe dan haar aanwezigheid. Fassbinder laat de camera als een roofdier om haar heen cirkelen; opvallend veel scènes zijn gefilmd met de camera zogenaamd verborgen achter de spijlen van een venster of over iemands schouder heen. Alsof de lenzen de ogen van een voyeur zijn. Schygulla krijgt kleur, de andere personages moeten het vaak in een neutraal zwart, wit en grijs stellen.

Lili Marleen speelt zich af in 1938, de vooravond van Hitlers overheersing over Europa. In Zürich wordt de getalenteerde componist Robert Mendelssohn (Giancarlo Giannini) verliefd op de Duitse zangeres Willie, Hanna Schygulla. Hooggeplaatste nazi-officieren introduceren haar in de Berlijnse kringen die we inmiddels kennen uit vele films en toneelstukken: de wereld van duister cabaret, van vrouwen in jarretelles. En vooral ook: de zware, trage stem van die vrouwen. De schim van natuurlijk niemand anders dan Marlene Dietrich doolt door deze film. Haar lied Lili Marleen is de grote song van Schygulla. Fassbinder heeft de mythische betekenis ervan tot in de uiterste dimensies weergegeven.

Dat uit zich in een prachtige scène – nadrukkelijk in de studio opgenomen, zoals de hele film een welbewuste, gestileerde atmosfeer ademt. Schygulla zingt het lied slepend, loom, bijna met tegenzin in een overvolle zaal. Nazi's zijn blinkend zwart aanwezig met de felrode hakenkruis band om de bovenarm. Aan het slot volgt een regen aan bloemenhulde. Dan, daar krachtig tegenaan gemonteerd, hetzelfde lied en dezelfde zwoele stem uit de loodzware radio's op het slagveld. Vermoeide, vervuilde soldaten luisteren. Ze raken ontroerd. Dan barst de hel los in de vorm van inslaande granaten, bommen, kogels – een vonkenregen van ellende. Krijgt Schygulla bloemen toegeworpen, de soldaten die hun moreel hoog houden aan dit lied, sneuvelen als ratten. Kanonnenvoer.

Bij het herzien van Lili Marleen blijkt weer eens wat een begenadigd man die Fassbinder was, een work-alcholic van de eerste graad. Zijn oeuvre is groots. En sterker, en daardoor intrigerender: hij stelde in alles wat hij maakte morele vragen.

Zo ook in Lili Marleen. De mythe van het lied wordt gedragen op vleugels van tragiek. Bloemen hier, doodslag elders.

Fassbinder was zijn leven lang geïntrigeerd door de rol van vrouwen in een door mannen beheerste maatschappij; hij schreef toneel over mannequiens en costumières. Deze film is daarvan een uitvloeisel. Het lijkt of de hele Tweede Wereldoorlog, de noodlottige gedachte van Het Derde Rijk om niemand anders draait dan om die ene vrouw met dat ene lied: Marlene Dietrich ofwel Hanna Schygulla. Deze film is geen weergave van nazi-decadentie zoals The Damned van Visconti dat is. Zangeres Willie zoekt eigenlijk niets anders dan geluk, dat doet ze met een innemend pathos en hunkerende oogopslag. Aan het slot, als blijkt dat de door haar nagejaagde geliefde een andere vrouw heeft, loopt ze weg. Langs een zwarte vijver. Haar wereld is ingestort. En dat is het laatste wat je haar gunt, deze onschuldige blonde vrouw met zo'n onheilspellend lied op de lippen.

Lili Marleen (R.W. Fassbinder, West-Duitsland, 1981), zaterdag, Ned.1, 22.46-0.40u.