Mama was `Maatje' niet meer

Wanneer Rie Cramer (1888-1977) haar herinneringen vooraf laat gaan door de verzekering dat niemand over de zwarte kanten van het bestaan `zo maar' den volke kond zal doen, dan moet zij een goede reden hebben gehad om het langzame verlies van het vertrouwen in een aanbeden moeder zo hartverscheurend te registreren. Die reden speelt in haar boek Flitsen verder geen rol, maar het verslag is ongewoon bitter.

Het gescheiden zijn van moeder was het grootste schrikbeeld van haar Indische kleuterjaren. Zij herinnert zich ,,de dringende, haast dreigende smeekbede met in elkaar geklampte handen: `Lieve God, laat u mij eerder doodgaan dan maatje, alstublieft... alstublieft...!' Op school was het gebeurd, dat een meisje uit de les werd gehaald: haar vader was in Atjeh gesneuveld. `Maar... als ze je uit school zouden roepen... en het zou maatje zijn...! Angsten... angsten en gevaren, ze dreigden van alle kanten en er was geen redding dan maatje alleen.''

Toen zij tijdelijk was teruggekeerd in Nederland was er de ontzetting van haar plotselinge afwezigheid zonder enige uitleg, met de herinnering aan het ellendige gevoel toen moeder weg was wegens ziekte. Rie moest logeren bij tante en grootmoeder. ,,Ma is weg!'' Dat was het dus, die donkere dreiging, die je al had gevoeld bij het zien van die visitehoed zo in de morgen, wanneer er anders nog geen sprake was van uitgaan. Je had het gevoeld in dat onverwachte: `Lief zijn kinderen' en in het meewarig hoofdschudden van Mijntje. Tante gaf wel een verklaring, om aan haar ontroostbaar brullen een einde te maken: ,,Goed luisteren en stil zijn. Maatje is een beetje ziekjes, maar ze komt gauw weer thuis. Heus. Maar als je zo huilt is dat zó naar voor Maatje, dat ze er niet zo gauw door beter worden kan. Begrijp je wel? Dat wil je toch niet?''

Cramer vond dat deze tante in haar pedagogiek `een moderner richting [was] toegedaan', terwijl je nu meer van chantage zou spreken. Als troost werd een chocolade schoorsteenvegertje aangerukt, het pronkstuk uit de Sinterklaas-etalage van een deftige Haagse banketbakker. En moeder kwam terug.

Maar was ze het wel echt? In de schets van het slechte huwelijk van haar ouders komt ze tot de conclusie: ,,Mama moet een kille natuur zijn geweest.'' Met enige verwondering begon Cramer zich af te vragen waarom ze eigenlijk zo aan haar moeder hing. ,,Het was altijd Truida, die je waste en aankleedde en je naar bed bracht en voor je zorgde zoals in Indië baboe Simah. Het was Truida die je brokjes brood met basterdsuiker voerde.'' Van haar moeder herinnerde ze zich ,,uit mijn vroegste jeugd geen knuffelen of troetelen, zij hield niet van `overdreven' liefkozingen.''

En toch: ,,Is er – zo vraag ik mij wel eens af – volmaakter liefde denkbaar dan die van het jonge kind voor de moeder? Mijn grenzeloze verering voor alles wat `Maatje' betrof, moet – al dateren mijn eerste bewuste herinneringen pas uit Holland – wel geworteld hebben in die allereerste Bataviaanse levensjaren.''

,,Toch... het kon niet duren. Langzaam aan kwamen er kleine, haarfijne scheurtjes in dat alomvattend gevoel van innig vertrouwen. De eerste keer – en ik herinner het mij nóg en o zo goed – bracht dat enkel verbazing.'' Na een visite gingen ze in een rijtuigje naar huis en Rie Cramer herinnert zich ,,hoe mijn moeder toen, na mij instappend, op mijn hand terecht kwam en ik uitbundig lachte. `Maatje zit op mijn hand, ja maatje!' Maar nóg hoor ik mama's stem, kribbig en boos: `Och schuif dan ook op!' Dat mij dit onbenullig voorvalletje zeventig jaar lang is bij gebleven, bewijst wel dat het geen onschuldig barstje was.''

,,Maar de zwaarste breuk, de diepste verwijdering, kwam later, in Holland.'' Een jaar of tien oud pestte ze een dik kind door in haar billen te knijpen. Omdat ze dat herhaaldelijk deed zag de school er een abnormaliteit in. ,,Kort en goed – ik werd naar huis gestuurd met een briefje van de directrice. Ik reikte haar het briefje, dat was nu eenmaal niet te verhelpen, en gaf alvast giechelend de verklaring waarom ik, voor de les uit was, naar huis was gestuurd. `Ik heb dikke Coba in haar billen geknepen.' `In haar...?' In de ijzige stilte die volgde, las mama de weinige regels van het omineuze briefje. Haar hand frommelde het tot een prop en haar stem klonk schor toen ze zei: `Ik wou nog liever dat je dood was, daar!' Ik was te ontzet om te huilen'.'' Haar tante probeerde te begrijpen wat er gebeurd was. ,,Er was niets aan de hand. `Goddank...' fluisterde mama in een zucht. Maar ik brak los in een stroom van tranen en schokschouderde vertwijfeld toen tante Dora een arm om me heen sloeg. Weg...weg! Ik wilde weg en botste, blind van tranen, tegen de deur. Er gaapte een zwarte afgrond, als een graf, tussen mama en mij. `Ik wou nog liever dat je dood was...' Ik ook! Ik ook! Natuurlijk ging ook dit voorbij in het leven van elke dag. Mam deed `gewoon' toen ik eindelijk beneden kwam, omdat niemand me was komen zoeken. Ze negeerde mijn bittere rancune. Mama was `Maatje' niet meer. Nooit meer.''

In haar autobiografie speelt moeder geen rol meer, in die zin is de breuk inderdaad definitief. Rie Cramer begon al vroeg te tekenen en rijmpjes te maken met illustraties. Toen ze zeventien was ging ze, weer gesteund door tante die meegegaan was, `hakkelend en purper van ellende' haar eerste prentenboek aanbieden bij een uitgever. Die accepteerde het onmiddellijk en bestelde meteen een vervolg. Rie Cramer leefde als een onafhankelijke, succesvolle vrouw in een tijd dat dat nog niet vaak te zien was. Haar werk is nog steeds een begrip.

Rie Cramer, Flitsen. Den Haag, Leopold, 1966