Klomp

CLEMENS Cornielje, lid van de Tweede Kamer en woordvoerder onderwijs van de VVD, maakt deel uit van het clubje politieke columnisten van Het Onderwijsblad, het orgaan van de AOb (Algemene Onderwijsbond). Zijn laatste bijdrage betreft het voornemen van minister Hermans om onbevoegden toe te laten als leraar. De AOb is daar niet tegen. Tot verbazing en verbijstering van Cornielje. Toen hij dit hoorde, brak zijn klomp van ongeloof en onbegrip. ``Ongeloof omdat ik me niet kan voorstellen dat een vakbond een maatregel bepleit die het aanzien van het beroep aantast. Bovendien leidt een dergelijke verruiming niet tot een grotere, maar tot een kleinere instroom op de lerarenopleidingen. Het gevolg zal zijn nog meer onbevoegden voor de klas.''

Wie verwacht dat het Kamerlid vervolgens deze veronderstellingen onderbouwt, komt bedrogen uit. Daarmee bevestigt Cornielje, zelf eveneens een product van de lerarenopleidingen, het manco waar discussies inzake het onderwijs traditiegetrouw onder gebukt gaan: het ventileren van meningen als vaststaande zekerheden. Iedereen roept maar wat: in de Tweede Kamer, in de docentenkamer, maakt niet uit. In hoeverre zijn Cornieljes veronderstellingen aannemelijk?

In de jaren vijftig en zestig was, meer dan nu, sprake van een lerarentekort. Scholen plukten studenten weg uit MO-opleidingen en universiteiten, ver voor ze hun bevoegdheid hadden behaald. Het voordeel was dat er door leraren flink gestudeerd werd. Die combinatie van werken en studeren heeft noch die leraren noch het onderwijs kwaad gedaan en evenmin het aanzien van het beroep aangetast. Twijfels omtrent de kwaliteit van leraren dateren van latere tijden, toen veel afdelingen van veel universiteiten en hogescholen om uiteenlopende redenen het niet meer zo nauw namen met de kwaliteit.

Onbevoegden zoals Hermans die nu voor ogen staan, hebben een andere opleiding dan die voor leraar gevolgd èn afgemaakt. Daarmee zijn zij beter opgeleid dan de onbevoegden van vroeger. Daarnaast hebben zij wellicht ook werkervaring elders opgedaan. Het lijkt me een verrijking voor het onderwijs wanneer dergelijke mensen er komen werken. Een van de nadelen van onderwijs is namelijk dat het zo'n geïsoleerde sector is waardoor zaken die in allerlei organisaties vanzelfsprekend zijn, er maar niet in kunnen doordringen.

Vervolgens de vraag of de instroom van onbevoegden de belangstelling voor de lerarenopleiding zal doen afnemen. Dat was vroeger niet het geval en ik verwacht nu eerder het tegendeel. De zij-instroom van leraren uit andere opleidingen en sectoren kan ertoe bijdragen het imago van het leraarsberoep te verbeteren. Het onderwijs gaat gebukt onder het beeld dat het iets heel aparts is. Wanneer je daar werkt, ben je nergens anders voor geschikt, en kom je er ook nooit meer uit. Met zijn ongeloof en onbegrip bevestigt Cornielje deze opvatting. Zeker voor het voortgezet onderwijs geldt dat het een heel gewone sector is waarbij het allerbelangrijkste is dat de mensen die er werken, zich ertoe voelen aangetrokken, over een behoorlijke intellectuele bagage beschikken en bereid zijn leemten op te vullen. Dit laatste is in het licht van de noodzaak tot permanente scholing heel wat belangrijker dan de labels bevoegd of onbevoegd.

De lege collegezalen van de lerarenopleidingen, het lerarentekort en het besluit om leraren uit andere sectoren aan te trekken: het een vloeit niet voort uit het ander, zoals Cornielje meent. Het is allemaal het gevolg van een en hetzelfde probleem: de onaantrekkelijkheid van het leraarsberoep. Alweer een eeuwigheid geleden heeft Cornieljes partijgenoot Toxopeus bedacht wat nodig is om daar iets aan te doen.