Honderd jaar Hayek tegen planners

Op zes mei was het precies honderd jaar geleden dat een van de belangrijke intellectuelen van deze eeuw werd geboren: Friedrich Hayek. Al voor de oorlog emigreerde Hayek vanuit Wenen naar Londen waar hij aan de London School of Economics gebrekkige theorieën doceerde over de grote depressie van de jaren dertig. Hayeks belangrijke werk begint in 1944 met The Road to Serfdom, een profetische kritiek op de neiging van socialisten om te veel te willen plannen. Hayeks punt is niet dat ministeries en Planbureaus inefficiënt werken of oorzaak zijn van hoge belastingen, maar dat planners in hun hoogmoed denken alle problemen correct van boven af te kunnen oplossen. Ambtenaren zijn voor Hayek niet speciaal lui of onbeleefd maar lijden aan hubris. En als de bedilzucht niet uit de ambtelijke koker komt, dan geven de politieke bazen wel opdracht om alles in groot detail en voor alle eeuwigheid grondig te regelen. Want de droom van de politicus is natuurlijk toch om bij elke onverwachte gebeurtenis direct aan hetNOS-journaal te denken, zichzelf te afficheren als geruststellende crisis-manager van wat er maar die dag aan de hand is en de kiezers duidelijk te laten weten dat hun zorgen worden gedeeld en in de best mogelijke handen zijn. Het is voor een ijdel politicus wel heel erg moeilijk om te passen voor een optreden bij de televisie, en als de camera eenmaal draait moet natuurlijk kond worden gedaan van `krachtig, nieuw beleid'. En dus gaat de overheid steeds meer regelen, vastleggen en voorschrijven. Burgers zouden eens moeten denken dat politici en ambtenaren het ook niet weten!

Ambtelijke organisaties zoeken bij falen al gauw de remedie in nog meer gedetailleerde regelgeving; de eigenaars van een bedrijf zullen eerder toegeven dat ze het kennelijk verkeerd hebben aangepakt en dat het tijd is om weer eens een paar andere dingen te proberen. Dat bedrijven winst moeten maken is dan ook in Hayeks visie niet zozeer belangrijk omdat mensen uit winstbejag harder zouden gaan werken. Nee, streven naar winst kan helpen omdat ondernemingen dan eerder de stap zetten om te leren of een andere aanpak beter slaagt. De kans op verlies is nog belangrijker dan de mogelijkheid van winst: als verliezen dreigen moeten bedrijven wel ophouden met activiteiten die kennelijk niet aansluiten bij wat hun klanten op prijs stellen. Daar ligt een groot verschil tussen bedrijfsleven en overheid – bedrijven proberen rustig twee of drie dingen tegelijk want als Nationale Nederlanden niet genoeg verzekeringen kan verkopen via eigen agenten is het misschien tijd om weer eens wat meer te doen aan de onafhankelijke tussenpersonen of misschien wel aan het Internet. De overheid daarentegen is niet zo voor proberen of experimenteren. Als het aan de ministeries ligt ontvangen eerst alle arbeidsbureaus in heel Nederland instructies van een nationaal hoofdkantoor, en wordt een paar jaar later besloten dat diezelfde arbeidsbureaus toch maar op een en dezelfde datum moeten opgaan in nieuwe centra. De blauwdruk daarvoor wordt dan weer even gedetailleerd en gedecideerd van bovenaf opgelegd. Misschien zijn ondernemers wel minder subtiel dan ambtenaren of politici, maar overlevingsdrang in de markt dwingt ze om hun ijdelheid opzij te zetten, toe te geven dat ze zich regelmatig vergissen, al experimenterend naar meer succes te zoeken.

Er is bij dit alles een serieuze tegenwerping: het risico dat leren van experimenten leidt tot ongelijke behandeling van burgers. Ik denk niet dat veel Nederlanders het een goed idee vinden om per provincie te pionieren met strenge of minder strenge bepalingen in het Wetboek van Strafrecht (hoewel de vijftig deelstaten in de VS wel heel verschillende strafmaten hanteren). Maar de rechtsgelijkheid hoeft nu ook weer niet te betekenen dat een professor in de accountancy in Groningen tot op de gulden evenveel moet verdienen als een hoogleraar geschiedenis in Utrecht. En het is toch om te schateren dat nu het `Centraal Planbureau' opdracht heeft om modelmatig na te gaan of de arbeidsvoorwaarden in het voortgezetonderwijs iets flexibeler moeten worden. Zoiets ontdek je door een experiment, niet met hulp van een rekenmeester. Hayek zou zeggen: een school hoeft helemaal geen winst te maken en de rector niet te dromen van een optieregeling, maar na acht jaar met de allesweter Ritzen is het nu de hoogste tijd om de scholen meer geld te geven en het aan de schoolleiding over te laten om in de praktijk uit te vinden of sommige docenten extra betaald moeten worden. In het onderwijs heeft de politiek schijnzekerheid op schijnzekerheid gestapeld. Eerst moest de werkweek van de docenten korter worden, nu kiest het regeerakkoord voor kleinere klassen, straks zijn er nog jarenlang veel te weinig leraren. Centrale planners in Nederland zijn dus niet succesvoller dan hun ex-collega's in het Oostblok. Geef dan toch liever het woord `schoolmanager' eindelijk inhoud door de schoolleiders die verantwoordelijk zijn jegens ouders en leerlingen én het geld én de bevoegdheden te geven die bij die hun verantwoordelijkheid passen. Laat hen beslissen over salarissen, overwerk, rooster en selectie van docenten.

Ook de nieuwe staatssecretaris mevrouw Verstand heeft last van de hubris waar Hayek zo tegen waarschuwde. Zij lijkt nu zeker te weten dat vaders en moeders in Nederland de zorg voor hun kinderen symmetrisch willen verdelen. Annelies Verstand vindt dat de overheid zich helder moet uitspreken voor het `anderhalf model', waarbij vader en moeder allebei driekwart van de week werken en dus evenveel tijd overhouden voor kinderen en huishouden. Nog niet een generatie terug wist diezelfde overheid even zeker dat Franse of Amerikaanse kinderen opvang nodig hadden, maar dat in Nederland de jonge moeders zich liever een paar jaar terugtrokken van de arbeidsmarkt om full-time op te voeden. Opnieuw schijnzekerheden die niet passen in een vrij land. Wat de positie van vrouwen betreft is het nuttig om bij regels voor uitzendwerk, pensioenen of belastingen steeds te kijken of die in de praktijk vrouwen discrimineren en dan te corrigeren. Actie blijft nodig omdat vrouwen op de Nederlandse arbeidsmarkt nog steeds aan het kortste eind trekken. Boosheid over de verspilling van zoveel talent moet voldoende drijfveer zijn om discriminatie te bestrijden, en dus is het helemaal niet nodig - en zelfs gevaarlijk – dat een staatssecretaris het ideale model voor het gezin gaat proclameren. The fatal conceit noemde Hayek zijn laatste boek. Lees het om te leren waarom ook mensen die `links' zijn voor wat betreft de verdeling van de inkomens, de ontwikkelingshulp of subsidies voor cultuur beter ruimte kunnen laten voor vrijheid bij arbeidsbureau, lerarensalarissen en gezinspolitiek. Een alwetende overheid heeft lemen voeten. Een wijze overheid wordt nog wijzer door te leren van experimenten.