Het drempeljaar

Het heeft al twee zwemdiploma's, kan alles lezen en kent de routine van het dagelijks leven – een kind van zeven staat op de drempel van de grote wereld. Letterlijk, want de jeugd is verkort tot een periode van drie jaar, tussen zeven en negen, tussen de opgerekte kleutertijd en de vervroegde adolescentie.

Annie Schmidt heeft eens gezegd dat ze altijd een kind van acht is gebleven. Acht jaar is het meest kindachtige van alle kinderjaren: ver verwijderd van het kliederige baby- en peutergedoe, en op comfortabele afstand van de al even kliederige puberfase. Zoals vogels gedurende hun ontwikkeling misschien maar een paar dagen exact beantwoorden aan de juveniel-uitvoering in de vogelgids, zo is het prototypische kind acht jaar oud. De proporties zijn volmaakt, de motoriek is nu zo verfijnd dat het kind alle speel- en klimtoestellen van de hele speeltuin aankan en in de bibliotheek promoveert het naar de afdeling `acht jaar en ouder', de meest dankbare categorie voor een kinderboekenschrijver. Hier bevinden zich ook de meeste klassiekers die – het woord zegt het al – juist weer leeftijdsloos worden.

Zeven is een ander verhaal, hoewel een zevenjarige vaak niet te onderscheiden valt van een achtjarige, en van een zesjarige trouwens evenmin. Het is nog niet zo makkelijk een kind correct op zijn of haar leeftijd vast te pinnen. Maar zeven is wel veel meer een drempelleeftijd dan acht. De zevenjarige staat op de gladde tegels tussen het diepe en het pierebadje in. Hij weifelt tussen de overzichtelijke beslotenheid van het minibadje, waar de kleuters rondspetteren, en het echte zwembad met glijbanen en elkaar in het water duwende grote kinderen. Hij mag in het diepe, want hij heeft al twee diploma's, maar hij durft niet altijd.

Toen ik zeven jaar was, liep ik over straat. Eerst langs het huis met het enorme schuine dak, dat overdekt was met klimop. Dan langs een wei met een knoestig paard erin, genaamd Bijou. Bij het pleintje rechtsaf, voorbij de kerk en dan kwamen de winkels. Een daarvan was een kantoorboekhandel, waar ik af en toe een nieuw Kuifje-album mocht kopen. Maar die keer was het gewoon een boodschap. Een brood of misschien een zak koekjes. Het was mooi weer en ik ging zonder jas. Ik rende en sprong en gooide mijn boodschappennetje in de lucht. Tot het in een boom bleef hangen en ik in tranen terug naar huis rende. Mijn moeder zei troostend dat dat toch geen ramp was, een netje in de boom, en ik begreep mijn eigen tranen niet meer en droogde ze dus maar.

Achteraf denk ik dat mijn ontdaanheid te maken had met onzekerheid over de gevolgen van het eigen handelen. Een zevenjarige kan in principe alles lezen wat voorhanden is, waardoor grenzen wegvallen en de wereld uitdijt tot voorbij het begrijpelijke. Een zevenjarige kent de routine van het dagelijks leven en hoeft nauwelijks nog gedirigeerd of gecorrigeerd te worden. Desondanks gebeuren er allerlei onverwachte dingen. De ene keer doe je als kind iets, waarvan je zeker weet dat het tegen de regels is en dan reageren volwassenen vertederd of zelfs enthousiast. De andere keer doe je iets in volstrekte onschuld en krijg je uit onverwachte hoek de wind van voren. Vrezen voor en tobben over dergelijke incidenten is niet aan kinderen voorbehouden. Dat gaat het hele leven door, maar voor het eerst piekeren over moraliteit lijkt me typisch bij het zevende levensjaar te horen.

Eén ding staat vast: de zevenjarige in onze cultuur in deze tijd is veel jonger en kinderlijker dan elders en dan vroeger. In het negentiende-eeuwse Europa, zeker in het boerenmilieu, was het gebruikelijk dat kinderen vanaf een jaar of vijf, zes deelnamen aan de volwassenenwereld. Door schapen te hoeden, dieren te voederen en mee te helpen met de oogst. Het principe van een lange zomervakantie vloeide voort uit de noodzaak van de agrarische bevolking om in het oogstseizoen alle beschikbare helpende handen in te zetten.

Het wettelijk verbod op kinderarbeid maakte een eind aan de uitbuiting van kinderen in fabrieken en werkplaatsen. De leerplichtwet dwong ouders hun kinderen naar school te sturen, totdat in ieder geval een (steeds verder opschuivende) minimumleeftijd was bereikt.

Maar dat betekende allemaal niet dat kinderen gevrijwaard waren van huishoudelijke plichten. Tot ver in de jaren zestig hielpen kinderen vanzelfsprekend mee in het huishouden of bij het werk van hun ouders. In grote gezinnen moesten de oudste meisjes letten op de kleintjes. Een moeder in een gezin van zes kinderen had geen tijd om achter een peuter aan te sjouwen of spelletjes te doen met een kleuter. Maar aan een dochter van zeven of acht kon je zo'n taak prima overdragen. En de jongens werden geacht na schooltijd klusjes voor hun vader op te knappen en zo gaandeweg het vak te leren.

Deze plichten en verantwoordelijkheden zijn weggevallen uit het leven van een kind. Een moeder zal niet zo snel meer aan haar zevenjarige dochter vragen om op haar broertje van vier te passen. Het leeftijdsverschil is daar te gering voor en het heeft ook iets eigenaardigs om, als je maar twee kinderen hebt, de een als oppasser over de andere aan te stellen. In een groot gezin, met z'n noodzakelijke hiërarchische structuur en z'n leeftijdsgebonden voorrechten, ligt dat veel meer voor de hand.

In Turkse of Marokkaanse gezinnen, die vaak wat meer kinderen tellen dan het standaard Nederlandse aantal van 1,67, zie je die verantwoordelijkheid van oudere over jongere kinderen wel. Je ziet meisjes van schoolgaande leeftijd met kleuters in hun kielzog. 's Middags, maar ook wel op lange zomeravonden slieren ze over straat, terwijl de Nederlandse kleintjes allang in bed liggen. Dit wordt vaak beschouwd als een gebrek aan verantwoordelijkheid van de ouders. Maar het is nog helemaal niet zo lang geleden dat Nederlandse ouders precies hetzelfde deden en hun kleuters onder de hoede van hun oudere broertjes of zusjes (meestal waren zij het) naar buiten stuurden, met als enige restrictie dat ze binnen moesten zijn als de kerkklok acht sloeg of als de straatlantaarns aangingen.

Hoogstwaarschijnlijk vonden de kinderen de plichten die zij te vervullen hadden voor het algemeen belang van het gezin vervelend. Aan de andere kant bracht het volbrengen van taakjes ook een grotere onafhankelijkheid met zich mee. Je moest dan wel op je zusje passen, maar intussen speelde je buiten. Je moest je vader helpen in z'n fietsenwerkplaats, maar je kon daardoor wel de mooiste zeepkisten in elkaar zetten. Je moest aldoor maar weer boodschappen doen, maar je kon tussen winkel en huis ongestoord je fantasie uitleven of allerlei kattekwaad uithalen. Het deelnemen aan de volwassenenwereld impliceerde automatisch een eigen kinderwereld, waar volwassenen zich nauwelijks mee bemoeiden, behalve als het uit de hand liep. Voorbijgangers wilden kinderen nog wel eens tot de orde roepen bij het fikkie stoken of het uithalen van vogelnestjes. Veel van wat kinderen meemaakten speelde zich buiten het toeziend oog van ouders af, omdat die het te druk hadden met hun eigen werk.

Voor de meeste Nederlandse ouders van nu is de vroegere bewegingsvrijheid van jonge kinderen ondenkbaar. Voor allochtone kinderen ligt dat anders. Niet alleen worden zij, in ieder geval de meisjes, meer opgevoed in een (Nederlandse jaren-vijftig-) kinderplichtcultuur, zij moeten bovendien vaak als tolk optreden voor hun ouders die minder goed Nederlands spreken dan zij. Een Turkse of Marokkaanse zevenjarige heeft meer levenservaring opgedaan dan de gemiddelde Nederlandse zevenjarige, die uit alle macht beschermd wordt.

Die bescherming komt neer op voortzetting van de structuur van de kleutertijd. Toen ik mijn destijds zevenjarige zoontje van zijn judoles ophaalde, zag ik elke week weer een aantal moeders hun zoontjes aankleden. Gewillig staken de jongens hun benen en armen uit om de kledingstukken te ontvangen. De moeders hurkten op de grond om sokken aan te trekken en veters te strikken. Het was duidelijk dat die moeders zo snel mogelijk weg willen wezen om het eten te koken, maar het tafereel wekte associaties met de verzorging van gehandicapten. Zoals je door medelijden overvallen wordt, wanneer je een te groot kind in een buggy rondgeracet ziet worden. Hij kan wel lopen, maar hij mag het niet want dan duurt het te lang.

Het is vooral voor werkende moeders niet efficiënt om de controle af te geven. Het kost nu eenmaal veel meer tijd een kind het speelgoed te laten opruimen dan om het zelf te doen. Geen wonder dat veel zeven- en achtjarigen nog steeds het kieskeurige eetpatroon van de kleuter vertonen. Ze eten kale spaghetti en droge rijst met ketchup. Ter compensatie krijgen ze vitaminesupplementen. Dat scheelt een hoop gesteggel aan tafel.

Een kleuter stuur je niet naar de winkel om een boodschap. Maar een zevenjarige ook niet, tenzij je toevallig naast de bakker woont. De leeftijd waarop je een kind er op uitstuurt voor een paar eenvoudige boodschappen is verschoven naar negen of tien jaar. Een kind van zeven mag ook niet alleen naar een vriendje lopen, drie straten verderop. Altijd wordt het gehaald en gebracht.

Gedeeltelijk ligt dit aan de gevaren van het verkeer, waaraan je jonge kinderen niet zonder supervisie mag blootstellen. Maar in de jaren zestig en zeventig was het verkeer ook gevaarlijk, terwijl die extreme supervisie van kinderen tot een jaar of negen volgens mij pas in de jaren tachtig is opgekomen. Alleen allochtone kinderen gaan zelfstandig op en neer tussen school en huis. De Nederlandse kinderen worden gebracht en gehaald. Ouders zijn, vermoed ik, minder bang voor het verkeer dan voor psychopaten die het op kinderen hebben gemunt.

Sinds de kranten en de televisie in de jaren tachtig aandacht zijn gaan besteden aan seksueel misbruik, pedofilie en kinderporno, hebben ouders de riemen van de controle een paar gaatjes strakker aangesnoerd. Met als gevolg dat de gemiddelde zevenjarige in een gecapitonneerde kleuterbiotoop verblijft. Veiligheid boven alles.

Van buiten af gezien lijkt dit misschien een verschraling van het kinderbestaan. Een zevenjarige in de jaren zestig en zeventig had meer mogelijkheden de wereld om zich heen te verkennen. Aan de andere kant geloof ik niet dat de tegenwoordige zevenjarigen ergens onder lijden. Ze zitten tevreden achter hun computers en bouwen ingewikkelde legocontrapties in de huiskamer in plaats van hutten in een stil plantsoentje. Voor de noodzakelijke buitenlucht en het kwijtraken van overtollige energie zitten ze op een sport.

Ze kunnen niet iets missen als ze niet weten wat het is. Kinderen nemen hun dagelijks leven voor kennisgeving aan. Zoals het gaat is het normaal en daar zijn ze aan gewend. Te zijner tijd leert elk kind spaghetti mèt saus te eten en zichzelf in een beetje vlot tempo aan te kleden. Zelfs voor de meest angstvallige ouders komt er een tijd dat ze hun kind alleen op de fiets ergens naar toe laten gaan.

De ontwikkeling van baby tot volwassene verloopt altijd op dezelfde manier: van totale afhankelijkheid, verzorging en veiligheid via het geleidelijk loslaten van bemoeienis naar zelfstandigheid en onafhankelijkheid. Op welke leeftijd welke verantwoordelijkheid van ouder naar kind wordt overgedragen, maakt voor het eindresultaat niet uit.

Het enige merkwaardige gevolg van de aanhoudende verkleutering is dat de kindertijd zelf dreigt te verdwijnen. Terwijl aan de ene kant de kleuterperiode uitgerekt wordt tot voorbij het zevende levensjaar, zet de adolescentie steeds vroeger in. De gemiddelde leeftijd van de eerste menstruatie daalt nog steeds en vanaf groep 7 oefenen kinderen van tien, elf jaar door middel van discofeestjes voor hun naderende tienerjaren.

Op de zuivere kindertijd, die de jaren tussen zes en twaalf bestrijkt en die door Freud de latentieperiode werd genoemd omdat alles rustig was aan het psychoseksuele front, wordt op die manier steeds meer beknibbeld, totdat er nog maar drie jaar jeugd overblijft. Tussen je zevende en je negende. Hoe kan iemand later nog terugkijken op een gelukkige, dan wel op een traumatische jeugd, als die maar drie jaar geduurd heeft? Amper heeft een kind ten lange leste dan toch de speen afgezworen of er wordt al een navelpiercing aangebracht.