Getekend reisverslag van Turner

De Engelse schilder William Turner reisde in 1802 door Europa en deed ook het Zwitserse plaatsje Martigny aan. Zijn reis legde hij vast in gouaches en tekeningen die nu in het museum in Martigny te zien zijn.

Het plaatsje Martigny in het Zwitserse Rhônedal ontleent zijn faam vooral aan zijn Romeinse ruïnes en zijn museum voor moderne kunst. Tussen beide bestaat een relatie: het museum is gebouwd rond een vierkant fundament van een Romeinse tempel. Projectontwikkelaar Léonard Gianadda bouwde het museum in 1976, in plaats van flatgebouwen, en droeg het op aan zijn tragisch omgekomen broer Pierre. Zo is de archeologie een vanzelfsprekend middelpunt geworden van de Fondation Pierre Gianadda.

De wandelgangen rondom de ruïnes – de oudste in Zwitserland – bieden plaats aan wisselexposities, die het formaat van het piepkleine plaatsje ver overstijgen. De dialoog tussen de eeuwen strekt zich ook uit over de beeldentuin. Daar staan Calder en Brancusi op de glooiende grasvelden en Romeinse ruïnes onder het maaiveld. Als een Fremdkörper ligt dit moois in een wijk die zijn woonbestemming verder niet kon ontlopen.

Op dit moment is in de Fondation Gianadda de tentoonstelling Turner en de Alpen te zien. De Engelse meester-aquarellist verbleef tijdens zijn grote Europareis in 1802 ook enige tijd in Martigny la Romaine. De expositie biedt een pictoraal verslag van dat verblijf en van de tocht, die William Turner (1775-1851) en zijn opdrachtgever/reisgezel Newbey Lowson ondernamen. Ze maakten de reis in de korte periode dat het politiek rustig was in Europa, na de vrede van Amiens. Turner en Lowson, toen 27 en 28 jaar, ondernamen de reis door de Alpen via wegen die nog maar twee jaar eerder betreden waren door Napoleons troepen. De onzekere politieke omstandigheden hadden hun invloed op de route: het tweetal waagde zich amper ten zuiden van de Alpen. In plaats van een `Grand Tour', die hoorde te voeren naar Italië, maakten ze een U-bocht in Aosta en keerden via Bern, Zürich en Basel terug naar het noorden.

Turners schetsboek dat, na de Tate Gallery, in Martigny aan de wanden hangt, is prachtig. Het feit dat veel werk op de plek zelf gemaakt is, verleent de gouaches en tekeningen extra charme en directheid. Turner maakt een schitterend gebruik van de bruine kleur van het schetspapier, die hij volledig integreert in de afbeelding. Door met zwart krijt, potlood en witte waterverf vlakken te omlijnen en in te vullen, wordt het bruin van het papier getransformeerd tot imposante bergketens of dreigende wolkenpartijen. Meesterlijk is de sterk verdunde witte vleug die hij aanbrengt in zijn luchten, waarmee hij de waterige nevel op hete dagen bijna tastbaar maakt. Met iets steviger wit brengt hij toefjes witte bergtoppen aan: de sneeuw springt uit het vlak naar voren. In zijn grijs voorgewassen gouaches of zijn krijttekeningen op wit papier bereikt Turner dezelfde effecten. Bijna Japans is de studie Bij Voreppe, een grijze heuvelgroep in een wit vlak. De witte wolkenflarden rondom de top zijn uitsparingen in de houtskool, die Turner hier gebruikt.

Naast de ter plekke gemaakte gouaches, zijn er ook uitgewerkte doeken te zien: aquarellen, schilderijen in waterverf. Soms voegt Turner thema's toe aan het landschap, zoals het gefantaseerde tafereel van de heilige Sint Hugo, die de gesel Gods afroept over een schaapherder. De dreigende Mont Blanc en dito donderwolken vormen een passend decor voor de scène. Het doek was een van de eerste die Turner bij thuiskomst in Londen maakte: het werd in 1803 meteen tentoongesteld in de Royal Academy. Ook het doek dat de slag van Fort Rock weergeeft – die in de Aosta vallei tussen Napoleons troepen en de Italianen zou zijn geleverd – is eerder imaginair dan historisch. Wel heeft Turner op al deze doeken ampel de gelegenheid de parallellen tussen het natuurgeweld en de destructieve krachten die de mens zelf ontketent, uit te werken.

Deze overeenkomsten, die een belangrijke plaats in zijn werk zouden gaan innemen, vinden hun eerste inspiratiebron in deze Alpentocht. De twee mannen moeten hun koets meermalen hebben verlaten – het pad over de St. Bernhard was bijvoorbeeld zo nauw en gevaarlijk, dat de overtocht te voet of per muilezel moest worden gemaakt.

In de Alpendoeken spelen bergen en wolken een krachtige rol, eenmaal terug in de vlakte zijn Zwitserlands vele meren een geliefd onderwerp voor Turner. In zijn verschillende weergaves van de Thunersee en vooral ook de Brienzersee voegt Turner het element water op een sublieme manier toe aan het spel van bergen en wolken. In de overgang tussen water en lucht is de aquarellist op zijn best. Voor het hedendaagse oog hebben de eerste versies van de, soms ter plekke gemaakte aquarellen vaak een grotere charme dan het latere, verfijnde werk.

Een aantal werken heeft Martigny zelf als onderwerp. Het zijn meestal gouaches en tekeningen en één geromantiseerde aquarel die verscheen in een bundel poëzie. Turner maakte met de prent zijn debuut als boekillustrator. Het kasteel La Bâtiaz, dat Martigny's skyline overheerst, is er nog steeds, zij het in vervallen staat. Wie op een nevelige lentedag de tentoonstelling en het stadje verlaat, wordt geprikkeld door elke nieuwe berg- of heuvelrug die op het netvlies verschijnt. Het Rhônedal met zijn gele bremstruiken langs de weg, zijn grijsgroene en vaalblauwe hellingen en de besneeuwde bergtoppen verschijnen in een nieuwe glans. De wisselwerking tussen Turners beelden en hun oorspronkelijke inspiratiebron heeft iets hallucinerends. Meer dan ooit verlaat je juist deze tentoonstelling met gewassen ogen.

Tot 6 juni in Martigny. www.gianadda.ch. Een mooie combinatie is de tentoonstelling `Gouden Eeuw van de Engelse aquarel' in Lausanne (Fondation de l'Hermitage, tot 24 mei)