De onderste delfstof boven

Het nieuwste kaartblad van het nitg toont de rijkdom aan delfstoffen tussen Almelo en Winterswijk. In die contreien is de diepe ondergrond van ons land ook zichtbaar en tastbaar aanwezig.

IN LOSSER begon het, anderhalve eeuw geleden. En in Losser werd ook de voorlopig laatste mijlpaal gepasseerd bij het onderzoek van de diepe ondergrond van Nederland. In oktober vorig jaar werd daar het nieuwste kaartblad (nr. X, van een serie van XVI kaarten) van diepe ondergrond van ons land gepresenteerd. Jarenlang hebben de Rijks Geologische Dienst (RGD) en zijn voorgangers geologische kaarten uitgebracht. Een serie van 1:50.000 kaarten is nog volop in bewerking. Maar misschien is daarmee iets te veel gezegd, nu de RGD is opgegaan in een nieuw instituut: het Nederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen TNO (NITG-TNO). Dat nieuwe instituut zal minder prioriteit aan de verdere kartering toekennen dan de RGD deed. Maar bestaande projecten zullen zeker worden afgerond, en daartoe behoort ook de kartering van de diepe ondergrond.

Het nieuwe kaartblad (Almelo-Winterswijk) is een bijzonder blad, niet alleen wegens de uiteenlopende delfstoffen die in de ondergrond van dit gebied aanwezig zijn, maar ook omdat juist dit gebied een grote rol heeft gespeeld toen de geologie en de mogelijke toepassing van de aanwezige delfstoffen ook in Nederland aandacht begonnen te krijgen. Burgemeester Eekhout van Losser nam in 1843 het initiatief voor verkennende graafwerkzaamheden bij zijn gemeente, omdat hij vermoedde dat er goed bruikbare kalksteen onder het oppervlak zou zitten. Eekhout trof inderdaad kalksteen aan en ook nu nog is een kleine groeve te bezichtigen, de zogeheten Staring-groeve op de es bij Losser, genoemd naar de `vader' van de Nederlandse geologie. Dat fossielen, voornamelijk schelpen, ook bij Losser kunnen worden gevonden, is slechts weinigen in ons land bekend, evenals het feit dat in de kelder van het gemeentehuis in Losser een mooie verzameling te bezichtigen is.

Inmiddels weten we dat het gebied veel meer delfstoffen te bieden heeft dan kalksteen. De belangrijkste zijn steenzout, steenkool, olie en waarschijnlijk ook gas en grondwater. In 1906 is er zelfs even sprake geweest van een heuse goudkoorts bij Winterswijk, maar die was gebaseerd op een frauduleuze achtergrond.

De vondst van aardolie bij Coirle is een goed voorbeeld van de resultaten waartoe het geologisch onderzoek in Oost-Gelderland en Twente heeft geleid. Het veel grotere veld bij Schoonebeek, pas kortgeleden uit productie genomen, heeft in de loop der jaren zoveel meer belangstelling gekregen, dat bijna geen Nederlander van deze eerste aardolievondst in Nederland op de hoogte is. De opsporing in de Achterhoek, enkele malen onderbroken, leverde olie op die de geologen ook nu trouwens nog voor raadsels stelt. Op 23 februari 1924 werd binnen een kwartier zestig liter groengekleurde lichte aardolie opgevangen. De olie was afkomstig uit lagen met een Carbonische en/of Permische ouderdom (ca. 300 miljoen jaar). Een dag later werd nog zo'n 150 liter gewonnen, maar toen men de put in productie probeerde te brengen, klapte het boorgat op een diepte van 70 meter dicht. De overheid meende dat verdere pogingen tot exploratie aan het bedrijfsleven moesten worden overgelaten, maar de toenmalige Bataafse Petroleum Maatschappij zag er geen brood in. Zo blijft er vooralsnog een waas rond de olievondst bij Coirle hangen. Was het een toevalstreffer in een reservoirgesteente dat verder geen olie meer bevat, of zit er wellicht nog een rijk olieveld in de diepe ondergrond?

Alleen al uit `het raadsel van de olievondst bij Coirle' blijkt het grote belang van een goede kennis van de diepe ondergrond. Die kennis berust vooral op seismische gegevens; in mindere mate hebben ook boringen daaraan bijgedragen. Op basis van deze gegevens is het nu gereedgekomen kaartblad samengesteld. Eigenlijk is de term `kaartblad' onjuist: het gaat om een fraai uitgevoerd boekwerk, waarbij in de figuren adequaat gebruik is gemaakt van een blauwe steunkleur, alsmede een set van twintig afzonderlijke kaarten. Daarin zijn vooral de diepteligging en de dikte van de diverse geologische formaties in de diepe ondergrond weergegeven, alsook een aantal dwarssecties. Vooral die laatste, naar mijn mening overigens te gering in aantal, geven een goed beeld hoe de pakketten in de ondergrond zijn geplooid en gebroken, hoe hun dikteverloop is, etc.

DALINGSGEBIED

Mede uit dergelijke gegevens kunnen geologen de ontstaansgeschiedenis van het gebied reconstrueren. Het gebied is, over geologisch lange tijd gezien, niet stabiel geweest. Het maakt deel uit van een uitgestrekt dalingsgebied waarin de afzettingen dikker zijn naarmate ze dichter bij het centrum van het dalende bekken liggen. In de praktijk is het danig ingewikkeld, maar uit het boekwerk en de kaarten samen kan ook de geïnteresseerde leek met enig begrip van geologische processen veel informatie halen.

Dat in Nederland niet veel belangstelling bestaat voor geologie, wordt vaak toegeschreven aan het feit dat bij ons nauwelijks harde gesteenten aan het oppervlak komen. Onverharde sedimenten (grind, zand, klei) voeren in ons lage landje de boventoon. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de RGD de Nederlandse ondergrond indeelde in `ondiepe' en `diepe' ondergrond, een ook voor Nederlandse geologen niet altijd duidelijk onderscheid. Adjunct-directeur Ridder van het NITG-TNO heeft nu echter aangekondigd dat het criterium niet meer de diepte is, maar de ouderdom van de geologische eenheden.

Omdat Losser een van de zeer weinige plaatsen in Oost-Nederland is waar vaste gesteenten tot (vrijwel) aan het aardoppervlak komen, kan dus worden gesteld dat daar de `diepe ondergrond' van ons land direct te zien is. Hoe schaars in Nederland ook `echte' geologische verschijnselen zijn, met dit zichtbare contact met de diepe ondergrond heeft Nederland toch een fenomeen waarop weinig andere landen kunnen bogen.

Boekwerk en kaartbladen zijn uitgegeven in het Nederlands (ISBN90-6743-526-0; ƒ39,-) en in het Engels (ISBN 90-6743-525-2; ƒ49,-).